Bosnisch dilemma

HET FEIT DAT Richard Holbrooke opnieuw van stal is gehaald, toont de geallieerde onvrede over de voortgang van het vredesproces in Bosnië. De man die anderhalf jaar geleden het akkoord van Dayton afdwong dat de burgeroorlog afsloot, moet nu een definitief einde zien te maken aan het etnisch sectarisme dat Bosnië in drie entiteiten verdeeld houdt.

Nog steeds functioneren de pluriform opgezette overheidsorganen niet, nog steeds krijgen vluchtelingen niet de kans naar hun haardsteden terug te keren. De gisteren in een driehoeksoverleg onder leiding van Holbrooke gemaakte afspraak dat de Bosnische Serviërs namens de Bosnische Federatie de eerste ambassadeur in Washington mogen leveren en de opening van een landelijk telefoonnet kunnen op hun best worden gezien als povere stappen naar een nog verafgelegen doel.

De onenigheid over zelfs maar de bezetting van ambassadeursposten was kortgeleden de aanleiding voor een soort instant-diplomatieke boycot van Bosnië, onder meer ingesteld door Nederland. De vraag is hoe lang de tactiek van wat de Amerikanen de wortel en de stok noemen bruikbaar blijft, temeer omdat die tactiek voortdurend in drie verschillende richtingen in wisselende intensiteit moet worden aangewend. Uit Holbrooke's uiteenzetting voor de pers blijkt dat althans de Amerikanen de voornaamste dwarsliggers in het regime van de Bosnisch-Servische republiek Pale blijven zoeken. Maar recente incidenten rondom terugkerende vluchtelingen hebben aangetoond dat haat en afkeer in alle geledingen van de bevolking nog lang niet zijn overwonnen.

JUIST DIE werkelijkheid plaatst de internationale interventie in Bosnië voor een dilemma. Binnen een jaar loopt het mandaat van de vredesmacht SFOR af. Voor die tijd zal het tot een ingrijpende mentaliteitsverandering moeten komen, wil het risico van een hervatting van de burgeroorlog worden vermeden. Maar zolang de etnische leiders hun haat- en leugencampagnes ongehinderd kunnen voortzetten en het ontzien van de voornaamste van oorlogsmisdaden verdachten voortduurt, is het onwaarschijnlijk dat de bevolking tot inkeer komt. Niet minder dan het toebrengen van een psychologische schok van formaat is nodig. De geschiedenis, ook de jongste, kent voorbeelden van de geneeskrachtige werking van zo een therapie.

Holbrooke's missie voert hem nu van Sarajevo naar Pale en Belgrado. In de laatste stad zal hij de hulp van de nieuwe Joegoslavische president, Slobodan Miloševic, inroepen om de impasse in Bosnië te doorbreken. Bij de duivel te biecht gaan, kan dat diplomatieke uitstapje wel worden genoemd. De Amerikaanse diplomaat is dit soort confrontaties toevertrouwd, maar desondanks gaat het om het volgen van een doodlopende straat. Zeker Miloševic heeft zich een man getoond die zonodig tactisch bijstuurt zonder zijn doelen uit het oog te verliezen. Anderzijds lijkt zijn meedogenloze opportunisme zelfs zijn vazallen in Pale van hem vervreemd te hebben. De bruikbaarheid van de man is alleen al om die reden aan twijfel onderhevig.

DE POLITIEK van de kleine stappen in Bosnië keert zich tegen zichzelf. Het Amerikaanse Congres is toch al niet gecharmeerd van het aangaan van nieuwe verplichtingen in Europa. De weigerachtigheid van de etnische leiders in Bosnië aan een nieuw staatsbestel en een duurzame vrede mee te werken dreigt de manoeuvreerruimte van president Clinton in Washington snel in te perken. Een drastische koerswijziging is noodzakelijk, wil straks al het werk niet tevergeefs zijn geweest. Wat gedaan moet worden is bekend en is in de akkoorden van Dayton vastgelegd. Het gaat erom de politieke wil op te brengen om het ook te doen. Holbrooke's missie schiet zo bezien tekort.