Blair rekent af met de cultus van partijdigheid

De eerste honderd dagen zitten er op voor de Britse Labourregering. Honderd dagen die de Britse politiek op haar grondvesten deden schudden. Een tussenbalans.

LONDEN, 8 AUG. Ministers spreken elkaar tijdens kabinetszittingen aan bij hun voornaam, niet meer bij hun functie. In het Lagerhuis wordt de herenkapper na 27 jaar trouwe dienst vervangen door een uniseks-barbier die niet terugdeinst voor een permanentje. Premier Blair beantwoordt maandelijks in het openbaar vragen van een groep kiezers. Om in contact te blijven met het volk.

Dat zijn maar drie van de veranderingen waarmee Labour het Verenigd Koninkrijk de laatste maanden overspoeld heeft, sinds de partij op de Dag van de Arbeid met een overweldigende verkiezingsoverwinning een eind maakte aan achttien jaar Conservatieve regering. Dat zijn alleen nog de stilistische correcties. Cosmetische ingrepen die in de eerste plaats dienen om zich van de Conservatieve voorgangers te distantiëren. Symbolische gebaren om Labours mantra's van vóór de verkiezingen te laten weerklinken. In de woorden van premier Blair: “Wij zijn niet de meesters. Het volk is de meester. Wij zijn de dienaars van het volk.” En de 'grote roerganger' nog eens: “Wij regeren voor de grote massa, niet voor een elite of belangengroep.”

Daarnaast maakte Labour een begin met beëindiging van de confrontatiepolitiek die de sfeer in Westminster de laatste kwart eeuw heeft vergiftigd. Labour heeft de Conservatieven steeds verweten dat ze het land regeerden alsof ze het bezaten, en dat ze de ideeën van andersdenkenden negeerden, alleen omdat ze niet uit het eigen kamp afkomstig waren. Wacht maar, zeiden destijds de Conservatieven, als jullie aan de macht zijn doen jullie hetzelfde. Het Britse kiesstelsel geeft een regeringspartij niet voor niets de absolute alleenheerschappij. Maar die scepsis werd onmiddellijk na zijn aantreden door de premier gelogenstraft. Hij betrok direct het bedrijfsleven bij zijn regering, wat het sterkst geïllustreerd werd door de benoeming van de bedrijfsvoorzitter van British Petroleum, David Simon - tot op dat moment geen partijlid, tot staatssecretaris voor Europese Concurrentie.

Blair nodigde ook de Liberaal-Democraten uit om zitting te nemen in een kabinetscommissie die zich over de grondwet moet buigen. Bij een strategische revisie van het defensiebeleid werden voor het eerst in de historie ook de oppositie en academici betrokken. En als voorzitter van een speciale eenheid die over de belangen van de voetbalsupporters moet waken werd de Conservatieve ex-minister van Cultuur David Mellor gevraagd. Blair luidde volgens eigen zeggen “een nieuw politiek tijdperk” in. Kwaliteit en consensus wegen voortaan zwaarder dan zaligmakende partijdigheid.

Pagina 4: Whitehall beleeft cultuurshock

Na de uitgebluste Conservatieven zorgen de jonge honden van Labour voor een cultuurshock in Whitehall, het ambtelijk centrum van Groot-Brittannië. Anderhalve week na de machtswisseling hadden ze al 45 beleidsinitiatieven genomen. Ze kwamen met een regeerprogramma dat niet alleen ambitieus maar ook radicaal is, en onder meer voorziet in beperkt zelfbestuur voor Schotland, Wales en Londen. Inmiddels hebben ze al meer dan vijftig speciale eenheden, adviesgroepen en commissies in het leven geroepen die evenzovele beleidsterreinen overhoop moeten halen, van belastingen tot het onderwijsniveau, van export tot het pensioensysteem.

Zelfs sommige Conservatieven tonen zich onder de indruk van de energie en vitaliteit van Labour. Zoals de oud-perssecretaris van ex-premier Thatcher, Sir Bernard Ingham, die de regering met “de vliegende start” feliciteerde en haar besluitvaardigheid prees. Andere commentatoren waarschuwen voor een wildgroei aan plannen die alleen maar tot verwarring en onrust kan leiden. Ze vragen zich af waar daadkracht eindigt en hyperactiviteit begint. Het zakenblad The Economist, een groot pleitbezorger van constitutionele hervormingen, klaagde over “het moordende tempo” van de operatie dat in een aantal gevallen tot halfbakken voorstellen leidt en mogelijk het hele project in diskrediet brengt.

Zowel in het regeerprogramma als in de begroting legde Labour de nadruk op een snelle inlossing van verkiezingsbeloften. Daarbij gaat het om zaken als decentralisatie van bestuur, verkleining van klassen, scheppen van banen voor langdurig werklozen, bevriezing van de inkomstenbelasting en snellere rechtspraak voor jeugdige vandalen. Koste wat kost wil Labour tonen dat het ook werkelijk doet wat het zegt.

Daarnaast heeft de regering de afgelopen maanden bewezen dat ze ook onconventionele, omstreden ingrepen niet uit de weg gaat. Minister van Financiën Gordon Brown verbaasde en verblijdde de City door de Bank of England verantwoordelijk te maken voor de rentestand. Eerder bepaalde de regering de hoogte van de rente. Aan de politisering van het monetair beleid kwam zo abrupt een eind. Minister van Onderwijs David Blunkett bepaalde dat groei en betaalbaarheid van het universitair onderwijs alleen maar kunnen worden gewaarborgd als studenten een bijdrage aan het collegegeld betalen.

Daarmee deed hij wat zelfs de vrijemarkt-adepten van de Conservatieven nooit durfden: hij maakte aan het principe van gratis hoger onderwijs een eind. Intussen kwam de minister voor Noord-Ierland, Marjorie Mowlam, met voorstellen om het vastgelopen vredesproces in Noord-Ierland weer vlot te trekken. Een initiatief dat met een nieuw staakt-het-vuren van het verboden Ierse Republikeinse Leger (IRA) werd beloond.

Als de regering sinds mei al kritiek kreeg, dan was het omdat ze het met de democratische regels niet zo nauw nam. Ze verzuimde meermaals het Lagerhuis op tijd te informeren. Anders dan de Conservatieven kan ze het zich permitteren op de lange tenen van de parlementariërs te trappen omdat ze in het Lagerhuis over de verpletterende meerderheid van 178 zetels beschikt. Daar komt bij dat Nieuw Labour van de fractie met haar vele jonge, onervaren leden een kadaverdiscipline eist. In naam van de eenheid en een tweede regeerperiode. Dissidenten zijn gewaarschuwd dat ze zonder mankeren buitenspel worden gezet.

Sinds Labour aan de macht is heeft het zijn greep op het ambtelijk apparaat versterkt en de regeringsmachine sterk gecentraliseerd. Alle belangrijke verklaringen, evenals interviews van ministers, moeten eerst worden goedgekeurd door het bureau van de premier. Peter Mandelson, de staatssecretaris zonder portefeuille, ziet toe op coördinatie van strategie en presentatie. Hij fungeert als een Amerikaanse chef-staf van 'president' Tony Blair. Daarbij wordt hij gesteund door een legertje van politieke adviseurs die in een aantal gevallen onafhankelijke ambtenaren hebben verdrongen. Conservatieven hebben de premier al verweten dat hij als een autocraat wil heersen en schaamteloos Whitehall politiseert.

Als vandaag en morgen in Londen 'de eerste honderd dagen' van Labour gevierd wordt, heft Tony Blair misschien een glas Chianti in Toscane, waar hij met vakantie is. Misschien laat hij die mijlpaal ook wel achteloos voorbijgaan, want hij moet niks hebben van gejubel over honderd dagen. In het collectieve geheugen van Labour is gegrift hoe Harold Wilson het Britse volk in 1964 “honderd dagen van dynamische actie” beloofde. In die honderd dagen werd de basis gelegd voor een economische crisis en een verkiezingsnederlaag.

In een brief aan zijn fractiegenoten schreef Blair echter wel dat ze “trots kunnen zijn” op de vliegende start die Labour heeft gemaakt. “Iedere regering zet de toon in de eerste maanden dat ze aan de macht is. Onze regering wordt gezien als modern, rechtvaardig en sterk (..).” Voorzichtigheidshalve voegde Blair daaraan toe dat dit beeld ook de volgende veertien keer honderd dagen moet worden waargemaakt.