Biografie van cineast François Truffaut; Welkom bij ons

François Truffaut was een boekenwurm, een filmgek, een rokkenjager, een rotzak en een scherpzinnig criticus die onderscheid maakte tussen twee soorten filmregisseurs: auteurs en niet-auteurs. Zijn oeuvre is een weerslag van zijn leven. “Ik zou elk klein meisje gunnen eens met hem naar de film te gaan.”

Antoine de Baecque en Serge Toubiana: François Truffaut. Uitg. Gallimard, 666 blz. François Truffaut: Letters. Edited by Gilles Jacob and Claude de Givray. Translated and edited by Gilbert Adair. Foreword by Jean-Luc Godard. Uitg. Faber and Faber, 590 blz. De meeste films van Truffaut zijn te vinden in de betere videotheek.

In het tuchthuis schreef hij dat zijn ideaal slechts bestaat uit drie films per dag en drie boeken per week

Hij maakt het tot principe altijd met een vrouw de avondmaaltijd te gebruiken: na achten spreekt hij niet meer met mannen

Belfort, september 1968, half negen 's avonds. Al anderhalf uur staat een van de beroemdste filmregisseurs ter wereld, de 36-jarige François Truffaut, te wachten tegenover de ingang van een flatgebouw aan de Boulevard Carnot. Een paar weken daarvoor is zijn moeder, met wie hij geen contact meer had, overleden. Eerder dat jaar voltooide Truffaut de film Baisers volés, waarin zijn alter ego Antoine Doinel (Jean-Pierre Léaud) werk gevonden had bij een detectivebureau. Tijdens de research voor die film had de regisseur kennis gemaakt met een echte privé-detective, wiens naspeuringen in Truffauts opdracht hem uiteindelijk dit adres in een Oost-Franse provinciestad opleverden. Zoals voorspeld in het detectiverapport komt om half negen precies een man van tegen de zestig naar buiten voor zijn avondwandeling. De joodse tandarts Roland Lévy is van gemiddelde lengte en tamelijk corpulent; hij draagt een grijze jas en een sjaal. Op het laatste moment besluit Truffaut zijn echte vader niet aan te spreken, diens bestaan niet ondersteboven te gooien. Hij neemt een kamer in een hotel en koopt een kaartje voor de bioscoop; Chaplins The Gold Rush draait er.

Op zaterdag 26 februari 1983 schrijft François Truffaut de volgende brief aan Sarah, de pas geboren kleindochter van zijn voormalige editor Claudine Bouché:

Lieve Sarah

Welkom bij ons. Zoals je wel zult ontdekken, wordt het niet elke dag plezier en spelletjes, maar toch... Soms is het leven een boterham met dik boter, dan weer een boterham met... In ieder geval moet je hem gewoon toch opeten.

Aangezien ik de rij al zie aankomen, vraag ik je nu meteen voor mij de eerste woensdag in maart 1996 te reserveren. Dan neem ik je mee naar een film voor boven de dertien en daarna gaan we een ijsje eten in de tearoom Angelina, akkoord?

Met veel liefde, beste Sarah, geef ik je een kus.

François

Van de honderden brieven die Gilles Jacob en Claude de Givray in 1988 bundelden in François Truffaut Correspondance is dit de meest ontroerende. Dat de tranen mij elke keer als ik die brief teruglees in de ogen springen, is maar ten dele wegens het feit dat de afspraak niet is doorgegaan: Truffaut overleed op 21 oktober 1984, 52 jaar oud, aan een hersentumor. Ook de charmante wijze waarop de rokkenjager én de geobsedeerde plannenmaker Truffaut zich aan de wieg van een zuigeling laat kennen, is niet het voornaamste. Het gaat, geloof ik, om die drie eerste woorden en het contrast dat ze vormen met wat Truffaut zelf overkwam. Je zult maar door een totaal onbekende zo liefdevol begroet worden en vanzelfsprekend opgenomen worden als een van 'ons': niet de mensheid, maar die mensen die snappen dat een film en een ijsje het hoogste goed vormen.

Er zou een aardig programma te maken zijn voor een kinderfilmfestival met de films van Truffaut over kinderen: de korte film Les mistons (1957), waarin een vrijend paartje bespied wordt; het woedend-autobiografische debuut Les 400 coups (1959); de ode aan opvoeding en beschaving L'enfant sauvage (1969), met Truffaut zelf in de rol van de leraar van het wolfskind van Aveyron; en de verzameling anekdotes uit kinderlevens L'argent de poche (1976). Steevast hamert Truffaut op het onrecht dat kinderen aangedaan wordt, door niet naar ze te luisteren. Ook buiten zijn films trad Truffaut herhaaldelijk in de publiciteit met filippica's tegen de manier waarop volwassenen, vooral in Frankrijk, hun kinderen behandelen. Het was algemeen bekend dat Truffauts eigen jeugd niet zo gelukkig verlopen was. Het autobiografische karakter van Les 400 coups werd bijna spreekwoordelijk; iedereen weet dat de spijbelsmoes van de jonge Antoine Doinel dat zijn moeder is overleden en de arrestatie wegens de diefstal van een typemachine van zijn vader, aan Truffauts werkelijkheid ontleend zijn.

Geuren en kleuren

In interviews hield Truffaut het echter altijd bij algemeenheden over zijn ouders, vooral om hen te beschermen. Het brievenboek van Jacob en De Givray onthulde wat details, maar noemde weinig namen en feiten. Pas de dit jaar verschenen biografie van de hand van Antoine de Baecque en Serge Toubiana, beiden redacteuren van het door Truffaut beroemd geworden filmblad Les Cahiers du Cinéma, vertelt in geuren en kleuren bijna alles. Het is een verbijsterend boek, dat weinig tegenspraak duldt. Naast talloze gesprekken met getuigen, leunt de biografie zwaar op het nauwgezet bijgehouden persoonlijke archief van Truffaut. Daarin bevindt zich bij voorbeeld, in de map 'Ma Vie 1', een plattegrond van Belfort, waarop met potlood de route naar de Boulevard Carnot is aangegeven.

In tegenstelling tot sommige andere biografieën van coryfeeën met een roerig privéleven, betracht het boek van De Baecque en Toubiana een weldadige discretie. Over onthullingen wordt niet triomfantelijk gedaan, over de talloze affaires met filmsterren is soms slechts tussen de regels te lezen (Jeanne Moreau, de afwijzing door Isabelle Adjani). Alleen bij twee, tamelijk kort afgehandelde plagiaatkwesties wordt Truffaut hinderlijk in bescherming genomen. Een verloren proces over het scenario van de door Truffaut geschreven en geproduceerde film Mata-Hari (Jean-Louis Richard, 1965) en de ruzie met Leslie Caron, die haar vriend Truffaut waagde te wijzen op de overeenkomsten tussen Le dernier métro (1980) en Jean Renoirs toneelstuk Carola, worden beide zeer terloops behandeld.

De belangrijkste verdienste van de biografie is echter dat de persoonlijke besognes van Truffaut, die zijn privacy als een leeuw verdedigde, steeds in verband worden gebracht met zijn werk. Je gaat Truffaut er alleen maar meer door bewonderen, als iemand die zijn zwakheden en problemen optimaal heeft weten te benutten.

Toen François Truffaut net twaalf jaar oud was, deed hij een schokkende ontdekking. Alleen thuis vond hij een oude agenda van zijn vader, uit François' geboortejaar 1932. Natuurlijk slaat hij zijn eigen verjaardag op, 6 februari, maar Roland Truffaut maakt geen enkele melding van de geboorte van zijn zoon. Een paar weken later vindt François het familieboekje, en ontdekt dat zijn ouders pas in november 1933 getrouwd zijn. Eigenlijk had François, buitenechtelijk kind van de Parisienne Janine de Montferrand, geen recht van bestaan. Hij werd opgevoed door zijn grootmoeder, en mocht ook na het huwelijk en de erkenning door zijn stiefvader zijn ouders alleen in het weekeinde bezoeken. Vanaf zijn tiende, na de dood van de grootmoeder, woonde François bij zijn ouders, beiden conservatieve katholieken met een adellijke stamboom. Hij werd vaak alleen gelaten, want Roland Truffaut, afkomstig uit een familie van beroepsmilitairen, besteedde al zijn vrije tijd aan alpinisme. Zijn moeder liet hem voelen dat hij ongewenst was door hem voortdurend te kapittelen, vooral omdat hij te veel lawaai maakte. Het beste wat hij kon doen, was in een hoek een boek gaan lezen. Hij verslond boeken, schreef op wat hij had gelezen en hield ook in schriftjes bij welke films hij zag: tijdens de bezetting, dus voor zijn dertiende, al dertien keer Le corbeau van Henri-Georges Clouzot, negen keer Les enfants du paradis van Marcel Carné en zeven keer Douce van Claude Autant-Lara.

Toegang tot de bioscoop verwierven Truffaut en zijn boezemvriend Robert Lachenay doorgaans clandestien, via het toilet, of door gestolen vitrinefoto's bij een andere bioscoop te gebruiken om portiers mee om te kopen. Vanaf 1946 leidde de stortvloed aan Amerikaanse films tot een complete filmverslaving, en de oprichting van een van de vele Cinéclubs. Die van Truffaut en Lachenay, heette 'Le Cercle Cinémane' en opende in november 1948 met twee korte films, Buñuels Un chien Andalou en Clairs Entr'acte. De aangekondigde hoofdfilm, Cocteau's Le sang d'un poète bleek niet gearriveerd, zodat de ongeveer honderd toeschouwers hun geld terugvroegen. Korte tijd later bleek een faillissement alleen af te wenden door de diefstal van de typemachine van Truffaut sr. In het tuchthuis schreef François dat zijn ideaal slechts bestaat uit drie films per dag en drie boeken per week. Dat ambitieuze plan heeft Truffaut zo ongeveer verwezenlijkt en volgehouden tot zijn debuut als regisseur in 1959.

Eten

In de tijd van de Cinéclubs wordt ook de vriendschap geboren tussen de latere redacteuren van de Cahiers du Cinéma, nog weer later de regisseurs van de Nouvelle vague. François Truffaut, Jean-Luc Godard, Jacques Rivette en Jean-Marie Straub ontmoeten elkaar in 1949 op het festival van de Film Maudit in Biarritz, het jonge alternatief voor Cannes. De iets oudere leraar Maurice Scherer alias Eric Rohmer is al getrouwd, en zal zijn vrienden vaak wat geld lenen en te eten geven. Veel later zullen zijn vrienden zich verbazen over Truffauts geringe belangstelling voor eten. Een uur na een maaltijd weet de wel in snelle auto's en mooie kostuums geïnteresseerde levensgenieter en succesvolle regisseur niet meer wat hij gegeten heeft. Wel zal hij het tot een principe maken altijd met een vrouw de avondmaaltijd te gebruiken: na achten spreekt hij niet meer met mannen.

Truffaut is voortdurend verliefd, vaak op onbereikbare vrouwen. Wegens een niet-beantwoorde liefde snijdt hij in 1950 zijn polsen door, in december van hetzelfde jaar besluit hij zich plotseling vrijwillig aan te melden bij het leger, aan de vooravond van een koloniale oorlog in Indo-China. De liefde speelt een rol bij dit ongerijmde besluit, maar ook schaamte over een zeer slechte daad. Uit geldnood heeft Truffaut alle door zijn beste vriend Lachenay aan hem toevertrouwde boeken verkocht.

Tijdens zijn militaire training in Duitsland daagt al snel het inzicht dat het weinig zin heeft te sneuvelen voor het vaderland, mede onder invloed van vrienden als Jean Cocteau en de oprichter van Les Cahiers du Cinéma, filmtheoreticus André Bazin, die voor Truffaut een soort pleegvader werd. Truffaut deserteert, verbergt zich in Parijs en meldt zich tenslotte toch bij de militaire autoriteiten. Het grootste deel van 1951 zal hij doorbrengen in de gevangenis, vaak in de ziekenboeg wegens syfilis, waar hij correspondeert met Jean Genet. Door bemiddeling van Bazin en een senator uit de Club du Faubourg wordt Truffaut uiteindelijk vrijgelaten en oneervol ontslagen uit dienst.

Gelouterd, maar vol woede begint Truffaut in 1953 als redacteur te schrijven voor Bazins tijdschrift. Bovendien ontpopt hij zich spoedig tot een toonaangevend filmcriticus voor het rechts georiënteerde Arts. In beide publicaties ontvouwt Truffaut beginselen, die al snel een naam krijgen: 'la politique des auteurs'. In tegenstelling tot wat vaak later beweerd is, ging het Truffaut niet om een 'auteurstheorie'; zijn beoordeling van films was gebaseerd op een praktisch principe, dat je in de verte zou kunnen vergelijken met het onderscheid dat Menno ter Braak maakte tussen 'vorm' of 'vent'. De stelling van Truffaut luidde dat er twee soorten filmregisseurs zijn: auteurs en niet-auteurs. Wie tot de laatste groep behoort, mag zijn vak in ambachtelijke zin verstaan, die vakkennis staat de totstandkoming van interessante films alleen maar in de weg.

Establishment

Met name het establishment van de Franse regisseurs van kwaliteitsfilms ('film de qualité' werd een scheldwoord in de Cahiers), regisseurs als Claude Autant-Lara, René Clément en René Clair, moesten het ontgelden in Truffauts beroemdste schotschrift tegen de 'cinéma de papa', het in januari 1954 in de Cahiers verschenen artikel 'Une certaine tendance du cinéma français'. Truffaut ging zelfs zover dat hij een slechte film van een auteur verdedigde en een goede film van een niet-auteur onderuithaalde. Zo schreef hij bijvoorbeeld in 1955 over de nieuwe, totaal mislukte film La Tour de Nesle van de tot zijn pantheon behorende Abel Gance: “Er valt niets interessants te melden over La Tour de Nesle. (-) Het is, zo men wil, de minst goede film van Abel Gance. Maar aangezien Abel Gance toevallig een genie is, is ook La Tour de Nesle een geniale film.” Een mislukking van Gance werd volgens de auteurspolitiek 'het verhaal van het opofferen van perfectie', omdat geen enkele film op zichzelf staat. Alleen in het licht van een heel oeuvre kan men een auteur begrijpen.

Auteurs waren uiteraard ook, misschien wel bij uitstek, aan te treffen in Hollywood. Sommigen van hen maakten voornamelijk B-films (Nicholas Ray, Joseph H. Lewis, Budd Boetticher), maar slaagden er wel in hun persoonlijke signatuur in elke opdracht door te laten klinken.

Natuurlijk moest de geobsedeerde documentalist Truffaut het landschap van auteurs en niet-auteurs gedetailleerd in kaart brengen. In 1955 brengt hij in het artikel 'Crise d'ambition du cinéma Français' 89 actieve Franse filmregisseurs onder in vijf categorieën: negen auteurs (Astruc, Becker, Bresson, Cocteau, Gance, Leenhardt, Ophüls, Renoir, Tati), elf vertegenwoordigers van de 'Franse kwaliteit', vijftien 'half-ambitieuzen', vijfentwintig 'fatsoenlijke commerciëlen' en negenentwintig 'opzettelijk commerciëlen'.

De polemische vooringenomenheid van Truffaut, de meest invloedrijke en uitgesproken vertegenwoordiger van de jonge Turken van de Cahiers, doet achteraf een beetje potsierlijk aan. Er valt veel tegen in te brengen, bij voorbeeld dat een film altijd eerder het resultaat is van een collectieve inspanning dan van de kwaliteiten van de regisseur alleen. Vooral stuit de auteurspolitiek tegen de borst van degene die denkt dat een criticus elke film zonder vooringenomenheid hoort te bekijken, alsof het de eerste film was die hij ooit zag. De kracht van Truffauts betoog was dat hij zich bewust was van zijn vooroordelen, die voor zijn lezers expliciteerde, en op die manier rigoureus het kaf van het koren scheidde. Het is vooral aan zijn gedram te danken dat de klassieke tegenstelling tussen film als kunstvorm en film als industrie sindsdien genuanceerd is. Daardoor konden Hollywoodauteurs als Hitchcock, Ford, Hawks en Sirk voor het eerst op hun waarde geschat worden, en schijnbaar kunstzinnige filmmakers, wier namen we nu al bijna vergeten zijn, ontmaskerd worden. Tot op de dag van vandaag klinkt dat onderscheid tussen auteursfilms en de rest - zinniger dan dat tussen kunst en commercie - door in bijvoorbeeld het beleid van het International Filmfestival Rotterdam. Oprichter Huub Bals maakte vanaf 1972 hetzelfde fanatieke onderscheid tussen regisseurs die hij altijd volgde en ondersteunde, en regisseurs die geen goed bij hem konden doen. Toevallig heette een van die paria's van Bals François Truffaut.

Loyaliteit

De 'politique des auteurs' was bovenal een kwestie van loyaliteit. Gezien de achtergrond van Truffaut was het onderhouden van vriendschappen, ook op afstand, een psychologische levensnoodzaak. Later zou die combinatie van geestelijke onafhankelijkheid en fysieke afhankelijkheid van een nauw verbonden groep van vrienden terugkeren in de manier waarop Truffaut zijn films tot stand bracht. Tot de vrienden van de filmmaker behoorden niet alleen zijn kompanen uit de Nouvelle vague en zijn vaste stal van medewerkers, buitenlandse contacten en zakenrelaties, maar ook de filmmakers (en schrijvers) die hij in zijn hart gesloten had. Nadrukkelijk bleven de doden daarbij horen; in een van zijn laatste (en minst bekende) films, La chambre verte (1978), speelt Truffaut zelf de hoofdrol van een man die een 'chapelle ardente' heeft opgericht, met afbeeldingen aan de wanden van alle overledenen met wie hij een constante verbintenis ervaart. Maar Truffaut heeft uit principe nooit meer een begrafenis bezocht na het dodelijke auto-ongeluk in 1967 van zijn ex-minnares Françoise Dorléac, het zusje van zijn latere grote liefde Catherine Deneuve.

Toch kon die loyaliteit van Truffaut soms onberedeneerd in het tegendeel omslaan. Godard werd de vriendschap definitief opgezegd in een woedende brief uit 1973, nadat Godard Truffauts La nuit américaine gedesavoueerd had. Truffaut sloeg hard terug: hij noemde Godard 'une petite merde' en verweet zijn voormalige makker vooral diens opportunistische ontrouw aan onder anderen de weduwe van André Bazin en Jean-Pierre Léaud.

Aan het einde van de jaren vijftig vormden Truffaut, Godard, Rivette, Rohmer, Chabrol en de andere redacteuren van de Cahiers nog een hechte groep, die elkaar ook hielpen hun eerste films te maken en in het openbaar te verdedigen. Samen met de debuutfilms van de andere redacteuren van de Cahiers veranderde Les 400 coups het Europese filmlandschap. Waren Godards A bout de souffle en Rivettes Paris nous appartient vooral in formeel opzicht vernieuwend, door de manier van het vertellen van een verhaal, de fragmentarische montage en de consequente keuze om de filmstudio te mijden, Truffauts films zouden niet lang blijven steken in een poging tot vernieuwing van de filmvórm.

Wat Truffaut als filmmaker zo bijzonder maakte, was zijn eerlijkheid in het onderzoeken van menselijke relaties, vaak onder extreme omstandigheden. Misschien met uitzondering van Tirez sur le pianiste, zijn geflopte tweede film uit 1960 (de enige die Huub Bals wel verdedigde), heeft een Truffaut-film doorgaans een tamelijk traditionele, romaneske vorm. Doorgaans wordt het onderscheid gemaakt tussen de vijf autobiografische films uit de zogenaamde Antoine Doinel-cyclus, waarin steeds Jean-Pierre Léaud hetzelfde personage in een verschillende leeftijdsfase speelt, en de zestien andere. Er zijn er echter nog meer die direct over Truffaut zelf lijken te gaan, zoals La nuit américaine, L'homme qui aimait les femmes (1977) en La chambre verte. Na lezing van de biografie van De Baecque en Toubiana blijven er nauwelijks films van Truffaut over, die niet op de een of andere manier thema's uit zijn eigen leven bevatten. Zelfs de relatief minst autobiografische films, zoals Une belle fille comme moi (1972) en Vivement dimanche! (1983), zijn op te vatten als hommages aan de hoofdrolspeelsters, respectievelijk Bernadette Lafont en Fanny Ardant.

Truffauts oeuvre zou het beste bewijs vormen van zijn eigen opvatting over de definitie van een filmauteur. Er zijn uitgesproken zwakke films bij, zoals de laatste Doinel-film L'amour en fuite (1979) of zijn zwanenzang Vivement dimanche! (1983). De beste films tonen de obsessies van Truffaut in hun meest extreme vorm: de jeugddemonen in Les 400 coups, het positieve antwoord daarop in filosofische (L'enfant sauvage) of professionele zin (La nuit américaine over de totstandkoming van een film met een door Truffaut gespeelde regisseur) plus enkele van de romantische films over de liefde en de dood: Jules et Jim, La peau douce, La femme d'à côté.

Maar elk van de films is een persoonlijk blijk van de vriendschap die Truffaut met sommige kijkers gesloten had, en dat niet los valt te zien van alle andere films. Zo is het niet goed mogelijk om een misdaadfilm van Truffaut te bekijken zonder te denken aan het schitterende interviewboek met Hitchcock dat hij in 1966 publiceerde: waarschijnlijk het belangrijkste filmboek ooit verschenen, waarin op uiterst gedetailleerde en ambachtelijke manier de werkwijze van Hitchcock voor het eerst volledig geanalyseerd werd.

Truffaut introduceerde Hitchcock en leerde me het verschil tussen mensen die een film maken en filmauteurs. Zijn levensangst zal elke filmgek en boekenwurm bekend voorkomen. Hij was geen erg aardige man, weet ik nu uit de biografie van De Baecque en Toubiana en uit zijn brieven. Hij was een dief, een deserteur, een rokkenjager en hoerenloper, een intrigant en een gevreesd polemist die allergisch was voor kritiek op zijn eigen werk. Toch zou ik elk klein meisje gunnen eens met hem naar de film te gaan. Hij zocht zijn vader, maar ging liever naar de bioscoop.