Anabole beeldspraak over Suriname

Astrid H. Roemer en Gerlof Leistra: Suriname. Een gids voor vrienden. Arbeiderspers, 149 blz. ƒ 29,90

Er moet veel zijn verbeterd in Suriname, de afgelopen jaren. Toen ik er voor het eerst aankwam, in 1992, was de luchthaven Zanderij om vier uur 's middags een gloeiende hel. Reizigers stompten, blaften en elleboogden zich krom onder hun bagage een weg naar de uitgang, waar ze werden besprongen door sjouwers en taxichauffeurs met even getrainde stembanden als spierballen.

Maar dan de auteurs van Suriname. Als zij aankomen, in de zwoele vooravond, is het er 'heerlijk koel'. De wandeling van vliegtuig naar aankomsthal is 'haast een zegen', het schuifelen voor de douane is 'zelfs voor de vermoeidste reizigers een rustgevend onthaal' en buiten zijn de taxichauffeurs slechts 'toeschietelijk'.

Het kan natuurlijk waar zijn: er is recent veel opgeknapt aan de Surinaamse luchthaven - al voerde de regering-Wijdenbosch onlangs verscherpte controles in op vluchten uit Nederland, uit diplomatieke relzucht. Of het kan een medische kwestie zijn: het verschil tussen een nerveuze verslaggever met een buik vol anti-malariapillen en geroutineerde Suriname-gangers met stalen zenuwen en dito ingewanden.

Maar de lyrische toon van Astrid Roemer en Gerlof Leistra reist met hen mee, van Zanderij naar Paramaribo, Nickerie en de rest van Suriname. 'Suriname is een diamant, met tientallen verschillende kanten', 'Suriname is wonderschoon, en het is een voorrecht van die schoonheid te genieten', 'Het klimaat is heerlijk', 'Het heerlijke weer is een dagelijkse bron van levenslust', 'Nog een voordeel is het zonnige klimaat', 'Paramaribo is gezegend met geweldige regens en veel zon', 'En dan: de geuren!'

Ook in de stad is het leven gemoedelijk. 'De mensen zitten ontspannen op hun balkon een djogo Parbobier te drinken of halen even wat te eten bij omu Sneysi', schrijven ze over het leven in de hoofdstad. Maar een pagina verder lezen we: 'Moeders zijn al blij wanneer ze hun eigen gezin elke dag voldoende voedsel kunnen geven.' Huh? Ze zaten toch op het balkon met een fles bier? Elders heet het dat 'de schaarste schrijnt', maar even later is de straat alweer één drukke 'openluchtwinkel' met 'gezellige' creoolsen achter een tafel met zuurgoed. Paramaribo is 'een stad in verval' (ondanks de 'schitterend gepleisterde overheidskantoren'), maar wel een waar 'de mensen genoeg hebben aan zichzelf'. Het 'unieke' van Suriname is de 'enorme' variatie in cultuur en natuur. Al wordt over die natuur tevens vastgesteld: 'Suriname bestaat voor tachtig procent uit oerwoud.'

Het is een stijl die past bij een reisgids - maar dat wil Suriname nu juist niet zijn. Dit boek van de Surinaamse schrijfster Roemer en de Nederlandse journalist Leistra is 'een gids voor vrienden'. Het bevat geen adressen, tips, telefoonnummers of andere praktische informatie. Wie die zoekt, kan terecht bij het authentieke Reizen in Suriname van Roy Tjin (1995) of de onderhoudende ANWB-gids van Wim Noordegraaf (1994). Suriname is geen gids, het is een lofzang, waarin de anabole beeldspraak niet wordt geschuwd: 'Machtige rivieren domineren Suriname als gezwollen aderen op een gebalde vuist'. Ernstiger is, dat Roemer en Leistra zich zozeer uitputten Suriname te portretteren als een onverdiend getroubleerd paradijs, dat ze soms elke werkelijkheidszin uit het oog verliezen. Waar alle complimenten in de overtreffende trap zijn gesteld, wordt voor sommige zere plekken in de Surinaamse samenleving het understatement uit de kast gehaald. Zo wordt over de volkswijk Latour, waar een agent mij 's nachts alleen met geladen revolver wilde rondleiden, gezegd dat het 'een leefgemeenschap is van mensen die wordt gekenmerkt door een (...) enigszins verruwde vorm van solidariteit'. Tamelijk verbijsterend is het om te lezen dat de etnische diversiteit van Suriname - de sleutel tot vrijwel alle sociale en politieke kwesties aldaar in deze eeuw - er 'soms problematisch is'.

Toch sparen de auteurs Suriname niet. In de latere hoofdstukken zwijgt hun loftrompet en schilderen zij juist in de schrilste kleuren het beeld van een samenleving die zich beweegt 'tussen twee uitersten: gebed en geweld', en waar 'maar iets (hoeft) te gebeuren of er vallen weer doden'. Een samenleving vol 'naar binnen geprojecteerd' geweld en 'onuitsprekelijk wrede' moorden. De auteurs signaleren een 'tragiek' in het dagelijks leven: de kloof tussen 'de potenties van het land en de intenties van het volk' en de 'afwezigheid van een maatschappelijke dialoog'. Dat zijn verontrustende observaties, maar helaas gieten Roemer en Leistra ze veelal in pyschologische termen, die de maatschappelijke of historische context eerder verduisteren dan verhelderen. Voordat de lezer goed en wel begrijpt wat er hier mis is, gaat het alweer over 'de zegen van de seizoenen', of de Surinaamse keuken, die 'misschien wel de gevarieerdste ter wereld is'.

Debet aan al die onevenwichtigheid is vermoedelijk de onwil van de auteurs om clichés over Suriname te bevestigen. Dat is een loffelijk streven, maar deze apologie werkt zo van de weeromstuit zelf verhullend. De passages over mannen en vrouwen zijn merkwaardig ('Misschien komt de Surinaamse vrouw het meest tot haar recht in de kerk') en bizar ('Een man met een buitenvrouw is gezien zijn levensloop geen schuinsmarcheerder'). Over bosnegers heet het: 'Hun ogen wekken de indruk dat zij meer zien dan zij kunnen zeggen. De zorgvuldigheid waarmee hun voeten de aarde raken, verraadt hun respect voor al wat leeft.' Dat zijn sentimentele stereotypen die niet zouden misstaan in een Surinaams avontuur van Karl May. 'Hebben de vrouwen die hun kleding in de branding schoonslaan eigenlijk wel een wasautomaat nodig, die zijn chemische afvalstoffen in de rivier deponeert?' vragen de auteurs zich af. De vraag stellen is hem beantwoorden, kennelijk.

Surinamers hebben een moeizame relatie tot hun eigen cultuur. Er is veel onverschilligheid en veel heimwee, zoals Astrid Roemer zelf in haar literaire werk op een indrukwekkende manier verwoordt. Maar waar een roman het moet hebben van de verbeelding, profiteert een gids toch het meest van de empirie. Al is het een gids voor vrienden.