Algerijnse GIA moordt zich een weg naar Paradijs

Moord, roof, verkrachting - alles is geoorloofd in de strijd van de Algerijnse Gewapende Islamitische Groep (GIA) “tegen de honden en de zwijnen”. Een zekerheid hebben de veelal analfabete strijders: na hun korte, harde leven volgt de verrukking van het Paradijs.

AMSTERDAM, 8 AUG. Een paar weken geleden werd Antar Zouabri gedood. Deze 28-jarige zoon van een schoenmaker was ongeletterd, maar de Emir oftewel de Hoogste Leider van de GIA, de Gewapende Islamitische Groep. Volgens Algerijnse kranten werden hij en 400 van zijn manschappen door het Algerijnse leger vlakbij de stad Tipaza in een oude Romeinse tunnel ingesloten. Honderd van hen zouden zijn gedood, 300 zouden zich hebben overgegeven.

Vreemd was dat de regering het bericht niet bevestigde en de GIA het ontkende. De achtste Emir in het vijfjarig bestaan van de GIA werd, voor zover bekend, ook niet opgevolgd. En van de 300 gevangenen ontbreekt elk spoor. Men vermoedt dat zij werden geliquideerd, of - zoals de laatste tijd wel meer gebeurt - onder dwang 'bekeerlingen' zijn geworden.

Bekeerlingen zijn zij die door de militaire inlichtingendienst zo zwaar worden gemarteld dat zij inlichtingen verstrekken over hun organisatie. Maar het zijn ook mannen die zich alsnog aansluiten bij de Patriotten, de burger-milities die door het leger worden bewapend om dorpen en stadswijken tegen de aanvallen van de moslim-radicalen te verdedigen. In sommige gevallen hebben deze bekeerde vrijwilligers vervelende ervaringen opgedaan met hun voormalige broeders, die bij voorbeeld hun verwanten vermoordden. In andere gevallen is hun aansluiting bij de Patriotten een mooie manier om wat geld te verdienen en voor een deel de oude activiteiten te hervatten. Want álle strijdende partijen in Algerije krijgen steeds meer de gelegenheid om hun gevoelens van jaloezie, haat en wraak bot te vieren.

Alweer volgens Algerijnse krantenberichten werd het lijk van Antar Zouabri door het leger op een legertruck tentoongesteld, opdat iedereen zich ervan kon vergewissen dat deze overtuigde moordenaar inderdaad was opgeruimd. Toch bleef de onzekerheid bestaan. Was hij nou wél of niet dood? En zo ja, was hij naar het Paradijs gegaan of naar de Hel? Is het mogelijk dat Mujahedeen, die de islam in een Heilige Oorlog verdedigen, zovele onschuldige vrouwen en kinderen vermoorden?

Ja, dat is heel goed mogelijk, zeggen de overlevenden, zelfs als zij nog niet zo lang geleden sympathie koesterden voor de strijd van de Mujahedeen. Niettemin worden thans ook hún dorpen door de GIA overvallen. Omdat zij Gods Strijders onvoldoende hulp boden of omdat zij de Patriotten in hun midden onvoldoende bestookten - geheel conform de waarschuwing die de GIA in januari de wereld inzond: “Allen zijn afvalligen van het geloof en verdienen de dood, uitgezonderd zij die mét ons zijn”.

Het maakt niets uit of de Emir van een islamitische strijdgroep en honderden van zijn volgelingen worden gedood. Hun plaats wordt onmiddellijk ingenomen door andere jongeren, die eveneens zonder opleiding, zonder werk en zonder vooruitzichten op een behoorlijke toekomst zijn. Zij haten en vervloeken alles en iedereen, met name Le Pouvoir, de machthebbers, allen die in hun dienst staan en en alle mensen die het een beetje gemaakt hebben. Hun enige troost vinden zij in de Strijd voor God “tegen de honden en zwijnen”. Die oorlog voeren zij onder leiding van een bijna altijd halfgeletterde of zelfs analfabete Emir - om daarna de verrukkingen van het Paradijs te mogen smaken.

Zie wat er gebeurde vier dagen na het zo succesvolle legeroffensief bij Tipaza. Toen overviel een groep mannen een gehucht nabij het stadje Larbâa, op ongeveer 30 kilometer ten zuidwesten van de hoofdstad Algiers. Vrouwen werden aan stukken gehakt, mannen de keel doorgesneden om nog eens duidelijk te maken dat zij niet anders dan schapen waren. En kinderen levend verbrand. In totaal 51 mensen.

Gewoontegetrouw namen de aanvallers ook een aantal meisjes en jonge vrouwen mee als 'tijdelijke bruiden'. Na gebruik worden ook zij vrijwel altijd met doorgesneden keel teruggevonden, opdat zij niet de identiteit en de schuilplaatsen van hun 'tijdelijke echtgenoten' verraden, met wie zij een 'pret-huwelijk' moesten aangaan. Gods in Algerije opererende Strijders zijn van mening dat zij dergelijke 'huwelijken' verdienen, gezien hun uiterst moeizame en korte bestaan op aarde.

Alle bloedige operaties in de Driehoek des Doods ten zuiden van Algiers worden door de kranten toegeschreven aan “de terroristen”, dat wil zeggen aan de Strijders voor God. Maar de verdedigers van hen die in Algerije en elders als islamisten of integristen worden gekenschetst, geloven er niets van. Hoe kon het - vragen zij - dat even vóór de overval op het gehucht bij Larbâa, nota bene vlakbij de aldaar gevestigde legerkazerne, de elektriciteit uitviel? En waarom waren de militairen niet in actie gekomen? Dus luidde ook ditmaal de conclusie dat dit geen actie was van Gods Strijders, maar van legersoldaten of de met hen verbonden Patriotten die oorlog voeren tegen Gods wetten en geboden. Want volgens een wijd verbreide opvatting is de GIA slechts een dekmantel van de geheime diensten om de vreselijkste misdaden te begaan, en deze in de schoenen te schuiven van ware en oprechte moslims.

De 23-jarige Fouzia is één van de zeldzame overlevenden van zo'n overval. Twee maanden geleden werd Cheraïffa, het gehucht waar zij met haar familie woonde, overvallen door ongeveer twintig mannen, gekleed in djellaba (het traditionele Algerijnse gewaad voor mannen) en gewapend met kalashnikovs, revolvers en messen. Zij sneden Fouzia's vader, moeder en oom de keel af, en namen alles van hun gading in het huis mee. Fouzia en haar drie zusters - de 23-jarige Hassina, de 14-jarige Hadjira en de 13-jarige Souad - werden met plakband geboeid en meegenomen naar een stinkende grot, waar de overvallers bivakkeerden. Toen zij uit het ouderlijk huis werden weggesleurd, “hoorde ik een droge schreew. Dat was mijn moeder, wier keel werd doorgesneden”, vertelde Fouzia aan een verslaggever van het persbureau AFP.

“In de grot spraken de mannen die hen hadden meergenomen met elkaar. Eén van hen vertelde hoe hij mijn oom had gekeeld en vervolgens zijn mes aan diens broek had afgeveegd. Een ander zei dat hij koffie over het lijk van mijn vader had gegoten. Andere leden van de groep eisten hun deel van de buit op. 'Jullie bewaken er twee en wij nemen de twee anderen mee', stelde één van hen voor. Maar de Emir, die pas de volgende ochtend zou komen, moest de verdeling regelen. Eén van de mannen zei boos dat hij een fatwa (een religieus decreet) had uitgevaardigd om allen te doden en de huizen te verbranden. Waarop een ander zei: 'We hadden niet voldoende tijd, We hoorden om de hoek al schieten'.”

In de vroege ochtend, toen de overvallers sliepen - “eentje had met een rietje drugs geïnhaleerd” - ontsnapten de vier meisjes. Ze wonen nu bij verre familie in de stad Boufarik, een landbouwcentrum, dat door het leger en de Patriotten wordt verdedigd. Maar ze zijn er psychisch slecht aan toe, temeer omdat een familielid met grote stelligheid zegt dat een buurman van het gezin de overvallers naar hun huis heeft gebracht.

Het is niet voor het eerst dat zoiets gebeurt. Het is zelfs voorgekomen dat een Emir de slachting van zijn eigen vader beval. Zijn strijders voerden de opdracht zonder aarzelen uit.

Kamr Eddin, die vorig jaar naar het buitenland vluchtte, weet waarom de mannen van de GIA zo handelen. Vroeger was hijzelf zeer gelovig, thans moet hij niets meer van God of van godsdienst weten. Hij heeft te veel meegemaakt en probeert zijn ervaringen weg te drinken.

“Als je zo doorgaat met zuipen, ga je voortijdig naar de Hel”, vermaan ik hem. “Goede vriend”, antwoordt hij, “je begrijpt niets van de zegeningen van de islam. Wie moslim is omdat hij in God en Zijn Profeet gelooft, heeft niets te vrezen. Als hij zich vollaadt met tankauto's alcohol en ook nog eens treinladingen mensen op gruwelijke wijze vermoordt, komt hij gedurende een eindige periode in de Hel. Maar daarna krijgt hij als moslim, op voorspraak van de Profeet, gratie van God, de Barmhartige, en mag hij het Paradijs binnentreden. Jij daarentegen kunt nog zo'n goed en braaf mens zijn, als niet-moslim kom je onherroepelijk en voor eeuwig in de Hel. Ik zou me dus maar snel bekeren, voordat je laatste uur is aangebroken. Het is de hoogste tijd.” Kamr Eddin is dan ook niet verbaasd over de gruwelijke misdaden die Gods Soldaten in naam van God bedrijven. “Wat ze ook doen, ze kunnen uiteindelijk rekenen op een veilige aftocht naar het Paradijs.”