Via Interpol

DE SURINAAMSE regering heeft onthutst, zo niet verbolgen gereageerd op het verzoek tot aanhouding van Desi Bouterse dat de Nederlandse justitie via Interpol de wereld in heeft gestuurd. De voormalige legerleider en nog steeds de macht voor en achter de schermen van het Surinaamse politieke leven, wordt verdacht van cocaïnesmokkel en het witwassen van met drugshandel verdiend geld.

Het verzoek aan de Internationale politie-organisatie mag gerechtvaardigd en doelmatig worden genoemd. Nederlands grondgebied wordt geacht rechtstreeks in die smokkel en handel betrokken te zijn geweest en de verdenking tegen Bouterse heeft in de loop der jaren steeds vastere vorm gekregen. De reacties uit Paramaribo zijn politiek verklaarbaar, maar overtuigen niet.

Dat neemt niet weg dat bij het voorafgaande justitiële onderzoek een vraagteken kan worden geplaatst. Justitie heeft lang getalmd alvorens Interpol in te schakelen. De naam van Bouterse prijkt al jaren bovenaan het lijstje van Surinamers die hun land en het voormalige moederland in een grootscheepse internationale drugssmokkel zouden hebben betrokken. In hoeverre politieke overwegingen bij die aarzeling een rol hebben gespeeld is onduidelijk gebleven. Maar de indruk is ontstaan dat er meer redenen waren dan voor de hand liggende technische problemen bij de afronding van een onderzoek als dit. Hoe het zij, de beslissende stap is gezet. Het is verder afwachten of Bouterse zo vriendelijk wil zijn zich naar een land te begeven dat bereid is aan het Nederlandse verzoek te voldoen.

INTUSSEN KLINKT de verwachting van het ministerie van Buitenlandse Zaken en betrokken Kamerleden dat de inschakeling van Interpol tegen Bouterse de betrekkingen tussen Suriname en het Koninkrijk niet zal schaden naïef. Die verwachting lijkt geïnspireerd door een niet te plaatsen zelfverzekerdheid die op haar beurt weer lijkt voort te spruiten uit de financiële afhankelijkheid van Paramaribo ten opzichte van Den Haag. Als dat zo zou zijn, zijn er geen lessen getrokken uit het verleden. Steeds opnieuw is immers gebleken dat Nederland meer door zijn plichtsgevoel en de daaruit voortgesproten overeenkomsten wordt getormenteerd dan omgekeerd Suriname. Den Haag is gevoelig gebleven voor het verwijt van paternalisme, zo niet neokolonialisme.

Het verzoek tot aanhouding van Bouterse zou nu politiek-psychologisch tot een waterscheiding in de verhoudingen tussen beide landen kunnen leiden. Den Haag heeft duidelijk gemaakt dat een einde aan zijn lankmoedigheid denkbaar is en dat het recht zijn loop moet hebben, ook al heeft dat voor alle partijen nare consequenties. De Surinaamse regering, althans naar haar onmiddellijke reacties gerekend, gooit van de weeromstuit de kop in de wind en geneert zich andermaal niet met de beginselen van de rechtsstaat een loopje te nemen. (Zij had eerder medewerking aan uitlevering van Bouterse geweigerd). Dit alles schept helderheid voor de toekomst. Zelfs als Bouterse nooit een Nederlands gerecht van binnen zal zien, heeft het verzoek aan Interpol op zichzelf al een niet te onderschatten politieke betekenis.