'Veel geld en weinig rompslomp'

De Nederlandse belegger kan in Amsterdam orders plaatsen voor aandelen Chicago Bridge and Iron Company, voor Gucci of Toolex-Alpha, en sinds vandaag voor Ispat, een staalbedrijf uit India. Wat zoeken dergelijke buitenlandse bedrijven op de Amsterdamse beurs?

ROTTERDAM, 7 AUG. Onbekende buitenlandse miljardenconcerns melden zich steeds vaker voor een notering op de Amsterdamse effectenbeurs. Vandaag krijgt de Indiase staalgigant Ispat International een plaats op het koersenbord. Ispat behoort tot 's werelds grootste staalproducenten, maar heeft geen enkele binding met Nederland, behalve dan dat de holding als naamloze vennootschap statutair in ons land is gevestigd.

Dankzij het inschrijvingsnummer bij de Kamer van Koophandel is Ispat een binnenlands fonds en kan het profiteren van het gunstige Nederlandse belastingklimaat voor houdstermaatschappijen. Bovendien maakt het Nederlanderschap het fonds tot een hapklare brok voor de kleinere institutionele beleggers die slechts gelimiteerd mogen beleggen in niet-Nederlandse fondsen.

“We zijn een klein land, makkelijk benaderbaar, met veel geld, weinig rompslomp en snelle handel”, zegt een woordvoerder van beursbedrijf Amsterdam Exchanges. “Als een multinational zich in Londen meldt voor een notering en klaagt over de traagheid waarmee die tot stand zou moeten komen, zeggen banken al gauw: we kunnen in drie weken een notering in Amsterdam regelen. U hoeft hiervoor uw prospectus niet eens in het Nederlands te vertalen.” Diverse grote internationale ondernemingen hebben al via een Nederlandse NV-structuur hun weg naar de Amsterdamse effectenbeurs gevonden. Eerder dit jaar waren relatief onbekende fondsen als het Amerikaanse Chicago Bridge and Iron Company aan de beurt, daarvoor verwelkomde Amsterdam al het modehuis Gucci uit Italië en het Zweedse Toolex-Alpha. Ook het Duitse bedrijf Benckiser (cosmetica) kondigde begin dit jaar een Nederlandse beursgang aan.

Duidelijk is nu te zien dat beursbedrijf Amsterdam Exchanges een commerciële onderneming is. Het wordt namelijk steeds actiever om dergelijke grote buitenlandse vissen aan de haak te slaan. “Zodra we merken dat een groot en aantrekkelijk international bedrijf in Europa een notering zoekt, gaan we zelf met hen een gesprek aan om ze naar Amsterdam te halen”, zegt de AEX-woordvoerder.

Lang hoeven deze ondernemingen overigens niet te zoeken naar de weg die naar Amsterdam leidt. Buitenlandse banksyndicaten wijzen hen de weg omdat Amsterdam grote voordelen zou hebben. Deze effectenbeurs is niet zo groot als Londen of Frankfurt, stelt minder stringente noteringsvoorwaarden dan andere grote beurzen en kan een beursgang in luttele weken regelen. Bovendien zijn de belangrijkste spelers op de Nederlandse aandelenmarkt, anders dan in het buitenland, diverse steenrijke institutionele beleggers zoals pensioenfondsen, verzekeringsmaatschappijen en beleggingsinstituten.

Om het risico van geringe lokale beleggersanimo te reduceren is de zogeheten dual listing populair geworden: een notering op meerdere effectenbeurzen tegelijk.

Pagina 14: 'Risico voor beleggers'

Voor Ispat was het bijvoorbeeld belangrijk om in diverse tijdzones noteringen te hebben, zowel in Amsterdam als New York. Dankzij deze dubbele notering kunnen de ondernemingen na verloop van tijd zelf zien op welke beurs (de best renderende) beleggers het liefst zaken doen. Zo bracht het automatiseringsbedrijf Baan zijn aandelen naar de Amerikaanse Nasdaq-beurs en tegelijkertijd naar de Amsterdamse effectenbeurs. Baan ziet nu het grootste deel van haar uitstaande pakket in Amsterdam over tafel gaan wegens de levendige handel en de gunstige koers/winstverhoudingen op deze beurs.

De ervaringen van Nederlandse beleggers met buitenlandse holdings zijn gemengd. Pirelli Tyre is al weer van de beurs verdwenen omdat de Italiaanse grootaandeelhouder toch maar liever helemaal zelf aan de touwtjes trok, terwijl de houdstermaatschappijen Bobel en Chamotte Unie bankroet gingen.

Met de aandelenplaatsing haalt Ispat circa 1,4 miljard gulden uit de kapitaalmarkt. Met de introductieprijs van 27 dollar (57,50 gulden) zit Ispat bovenaan de eerder deze week toch al verhoogde bandbreedte van 26 tot 27 dollar. De handel in de stukken startte vanmiddag om half vier bij opening van Wall Street.

Ispat is het staalbedrijf van de Indiase ondernemer Lakshmi Mittal, die 80 procent van de aandelen in handen heeft. Hij kocht het slecht draaiende bedrijf in 1989 van zijn oudste broer. Met Ispat (Hindoestaans voor staal) kocht hij staalfabrieken op in Mexico, Trinidad, Canada, Duitsland en Ierland. Ispat heeft ook belangstelling getoond voor Nedstaal in Alblasserdam (van het Duitse Thyssen). De omzet van Ispat was vorig jaar 1,8 miljard dollar, de netto winst 613 miljoen dollar. Met een jaarproductie van 6 miljoen ton produceert Ispat net zoveel staal als het Nederlandse Hoogovens. In 1999 wil Mittal de productie hebben opgevoerd tot 10 miljoen ton. In het prospectus wijst het bankensyndicaat dat Ispat naar de beurs brengt, bestaande uit onder meer Credit Suisse First Boston, HSBC en J.P. Morgan, op de gevaren van de staalmarkt. Die is niet alleen cyclisch van aard maar kent ook zware concurrentie.

Het dynamische karakter van Mittal is volgens analiste K. Broekhuyse van ING Barings ook een risico voor beleggers. “Als hij vertrekt, weet niemand wat er met Ispat gebeurt. Hij heeft nog niet laten weten hoe lang hij bestuurder blijft.” Broekhuyse onderkent dat de beursintroducties van staalbedrijven als Iron Steel and Chicago Bridge geen succes zijn geworden. “Maar die bedrijven hebben dan ook helemaal geen ruchtbaarheid aan hun beursgang gegeven. Ispat heeft een geweldige roadshow opgezet om de naamsbekendheid op te voeren. Bovendien ziet het ernaar uit dat Ispat meer aquisities gaat doen in Europa. Ik verwacht dan ook zeker levendige handel in deze aandelen.”