Simon Wiesenthal over de dreiging van extreem-rechts; 'Druk op Zwitserland heeft averechts effect'

Vakantie zit er voor Simon Wiesenthal (88) dit jaar niet in. De Oostenrijker, die bekenheid verwierf door zijn jacht op nazi's, wordt bestookt met vragen over slapende 'joodse' tegoeden in Zwitserland. Daarnaast zorgt zijn vorig jaar in het Engels verschenen biografie, waarvan morgen een Nederlandse vertaling op de markt komt, voor extra drukte.

WENEN, 7 AUG. Simon Wiesenthal gruwt van de wijze waarop Zwitserland op het ogenblik in de belangstelling staat door de felle internationale kritiek op het reilen en zeilen van de Zwitserse banken tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hij vreest dat het land, waar hij met zijn echtgenote in de regel zijn vakantie doorbrengt, zich tenslotte zo in het nauw gedreven zal voelen dat een 'Waldheim-effect' zal optreden. De collectieve aanvallen en beschuldigingen zullen niet tot een betere omgang met het verleden leiden. Alleen nationalistische Zwitserse politici als Christoph Blocher van de Zwitserse Volkspartij (SVP) zullen ervan profiteren, aldus Wiesenthal. Volgens Blocher ligt de toekomst van Zwitserland in de 'afzondering'.

Met 'Waldheim-effect' bedoelt u waarvoor in Oostenrijk tijdens de presidentsverkiezingen in 1986 werd gewaarschuwd: 'Wie Waldheim zaait, zal Haider oogsten?'

“Ja. Waldheim was al kandidaat in 1961, geloof ik, maar verloor. Toen hij het in 1986 weer probeerde, kreeg hij 54 procent van de stemmen. Zijn voorgangers waren maar op 51 procent gekomen. Hij kreeg een half miljoen stemmen meer. Deze stemmen waren niet voor hem, maar tegen het Joodse Wereld Congres (JWC) en tegen de buitenlanders. De Oostenrijkse Volkspartij (ÖVP) was zo stom te denken dat ze deze stemmen zou kunnen houden.

“Drieëneenhalve maand na Waldheims overwinning waren er vervroegde verkiezingen en kwam Haider van 5 op 9,7 procent. Hij heeft dat halve miljoen stemmen gekregen! Hoe? Door een hetze tegen buitenlanders te voeren. Sindsdien zijn er in Oostenrijk geen verkiezingen meer geweest waarbij hij dat spel niet herhaald heeft.”

Uit een opiniepeiling van de Oostenrijkse Omroep (ÖRF) blijkt dat 52 procent van de bevolking vindt dat Haider regeringsverantwoordelijkheid moet krijgen. Maakt u zich zorgen over de politieke situatie?

“De politieke partijen zullen er wel tien keer over nadenken of ze een regering met hem willen vormen. Waar moet Oostenrijk het van hebben? Van export en toerisme en beide kunnen ze vergeten als Haider in de regering zit. Nu hoort Oostenrijk tot de Europese Unie. Voor Oostenrijk erbij kwam, bestond de EU uit 12 landen, 9 ervan zijn door de nazi's bezet geweest. Niemand in Europa zal er gelukkig mee zijn als Haider aan de macht komt.

“Ik denk niet dat een partij het aandurft om Oostenrijk weer als ten tijde van Waldheim aan een internationaal isolement bloot te stellen. Nee, op het ogenblik ben ik veel banger voor wat er met Zwitserland zal gebeuren. En verder hoop ik op Europa. Ik ben erg gesteld op drie landen: Denemarken, Noorwegen en Nederland. Deze landen zullen barrières opwerpen tegen de Haiders en de Blochers. Daarom ben ik ook een groot voorstander van de EU.”

Haider scoort op twee punten: de buitenlanders en als verdediger van de 'vader-generatie'. Hij spreekt van 'onze' vaders die dit land weer opgebouwd hebben en hij heeft er succes mee. De ouderen horen het graag en de jongeren horen dat ook liever dan onder ogen te zien wat hun vaders hebben gedaan voor ze puin gingen ruimen.

“Het enige wat wij kunnen doen, is ervoor zorgen dat de misdaden van de nazi's niet vergeten worden. En we mogen niet toelaten dat deze misdaden goedgepraat worden. In een gesprek met een Sloveense krant heb ik gezegd dat politici als Haider dat doen. Hij heeft mij aangeklaagd maar later de aanklacht weer ingetrokken. Ik heb nooit met hem gepraat, maar toen ik op uitnodiging van de minister van Onderwijs, Elisabeth Gehrer, een lezing hield was hij aanwezig en heeft opvallend hard geklapt.”

Wat vindt u ervan dat Peter Sichrovsky nu voor de partij van Jörg Haider in het Europees parlement zit?

“Ik ken de jonge Sichrovsky niet, maar zijn vader kende ik goed. Je hebt natuurlijk heel verschillende joden en het staat iedereen vrij in de politiek te gaan. Ik vind wel dat hij uit die partij zou moeten stappen als er iets positiefs over het nationaal-socialisme wordt gezegd.”

Sichrovsky zegt met Haider persoonlijk bevriend te zijn. Haider heeft in december 1995 tijdens een bijeenkomst van oud-SS'ers gezegd: Wij zijn de fatsoenlijkere mensen, al zijn we op het ogenblik in de minderheid. Een half jaar later heeft Sichrovsky zich kandidaat gesteld.''

Wiesenthal zucht diep. In een vraaggesprek met de 'Neue Zürcher Zeitung' vertelde hij dat het hem niet kan schelen als hij door nazi's wordt beledigd maar dat conflicten met joden hem altijd diep hebben geraakt. Ook als Wiesenthal over de Waldheim-affaire praat, wordt duidelijk hoe verbitterd hij nu nog is over de inmenging van het JWC. Hij spreekt dan over “de buitenlandse propaganda” die geen onderscheid maakte tussen personen, maar iedereen over een kam schoor. “Weet u wat het WJC zei toen de Israelitische Kultusgemeinde belde en vroeg waar ze mee bezig waren? Ze zeiden: hoeveel joden leven nog in Oostenrijk? Zevenduizend? Ach, laat die maar emigreren! Met hun acties en hun arrogantie hebben ze het antisemitisme behoorlijk aangewakkerd. Precies wat nu ook in Zwitserland zou kunnen gebeuren.”

De acties van het JWC hebben het antisemitisme misschien aangewakkerd, maar de politieke verantwoordelijkheid ligt toch bij de partij die Waldheim kandidaat heeft gesteld?

“Natuurlijk, maar als er verkiezingen zijn is het verstand altijd zoek. De ÖVP wilde winnen, de consequenties konden op dat moment niemand schelen. Het heeft jaren geduurd voor die schade enigszins hersteld was.”

U heeft inmiddels zowel in Polen als in Oostenrijk de hoogste onderscheidingen gekregen. Hebben beide landen nu vrede met u gesloten?

“Na de val van het communistische regime in Polen was het voorbij met de campagnes tegen mij. Ook in Oostenrijk is er iets veranderd. Ooit werd ik door veel Oostenrijkers als vijand nummer één beschouwd, vooral tijdens het conflict met Kreisky. De film over mijn leven heeft hier veel veranderd, dat was een soort doorbraak. Vroeger kwamen vooral jongeren uit het buitenland op bezoek, maar de laatste jaren komen er ook veel uit Oostenrijk. Hele schoolklassen. En ook het leger stuurt mensen. Ik word voor veel meer lezingen gevraagd dan ik zou kunnen houden. Ach, misschien zijn ze gewoon aan mij gewend geraakt.”