Rol bij cocaïnehandel al bijna 20 jaar bekend

ROTTERDAM, 7 AUG. Aanwijzingen dat D.D. (Desire Delano) Bouterse connecties heeft met de internationale cocaïnehandel bestaan al sinds het begin van de jaren tachtig.

Nadat de in 1980 via een militaire coup aan de macht gekomen legerleider Bouterse zijn politieke positie twee jaar later bestendigde via de 'decembermoorden', sneed Nederland Suriname af van de belangrijkste financiële hulpbronnen. De ontwikkelingshulp werd stopgezet. Suriname was internationaal geïsoleerd en financieel aan het eind van zijn latijn - alleen alternatieve handelsstromen konden het land en zijn leiders nog aan voldoende geld helpen.

Dat Bouterse het pad van de cocaïnehandel nam, was bij de Centrale Recherche-Informatiedienst (CRI) al halverwege de jaren tachtig in vertrouwelijke rapporten te lezen. Het leidde evenwel niet tot actie. Toenmalig minister van Justitie F. Korthals Altes hield, ondanks aanwijzingen van het tegendeel, bij hoog en laag vol de rapporten nooit te hebben gekregen. Intussen was de binnenlandse politiek in de ban van de kleine criminaliteit. Dat Nederland ook te maken had met grote, internationaal georganiseerde misdaad, was geen inzicht dat op veel steun kon rekenen.

In de Verenigde Staten groeide evenwel de ongerustheid over de positie van Suriname als draaischijf voor cocaïnehandel tussen Colombia enerzijds en de VS en West-Europa anderzijds. Onderzoek van de Drugs Enforcement Administration (DEA) wees andermaal in de richting van Surinames militaire en bestuurlijke elite. Het leidde tot de spectaculaire op video vastgelegde aanhouding in Miami van een van de hoogste militairen van het land, Etiënne Boerenveen.

Nochtans bleef een gealarmeerde reactie van de Nederlandse justitie uit. Het Surinamebeleid werd gedomineerd door het ministerie van Buitenlandse Zaken, dat het openhouden van de diplomatieke kanalen verkoos boven een polariserend justitieel optreden tegen Bouterse en de zijnen.

Verandering daarin kwam pas na het aantreden van minister van Justitie E. Hirsch Ballin in 1989. Hij trok de banden met de VS aan. Deze krant zette in 1991 gedetailleerd uiteen hoe de betrokkenheid van Bouterse bij de cocaïnehandel in elkaar stak en Den Haag betrok voor het eerst een andere positie. Jarenlange betrokkenheid bij drugshandel hadden van Suriname een narcostaat gemaakt. Minister H. van den Broek (Buitenlandse Zaken) bevestigde dat er sterke aanwijzingen waren voor een rol van Bouterse in de cocaïnemaffia. Een speciaal politieteam (CoPa, Colombia-Paramaribo) van de Haagse politie kreeg opdracht voor een onderzoek.

De oude Nederlandse ambivalenties bleven de kop opsteken. Toen officier van justitie C. van der Voort, leider van het CoPa-team, najaar 1995 voor de parlementaire enquêtecommissie-Van Traa verscheen, wees hij er tussen de regels op dat zijn onderzoek op permanente scepsis van Buitenlandse Zaken kon rekenen. Hij zei er overigens iets bij. Zijn onderzoek was klaar. Het bleek dat het CoPa-team vooral successen had weten te boeken via het verhoren van Surinaamse vluchtelingen die uit angst voor represailles politiek asiel in Nederland aanvroegen. Van der Voort had het resultaat diezelfde dag, 2 november 1995, aan minister Sorgdrager (Justitie) gepresenteerd. Nederland bleef kortom nog een paar jaar op kousenvoeten lopen. Pas dit voorjaar bleek uit een vraaggesprek met procureur-generaal A. Docters van Leeuwen dat het point of no return was gepasseerd. Bouterse zou worden gedagvaard.