Hulp niet stoelen op schuldgevoel

Vrijwel iedereen zal instemmen met een oproep om Cambodja, of liever gezegd de Cambodjanen, niet in de steek te laten op een moment dat de bevolking opnieuw het slachtoffer dreigt te worden van corrupte en zichzelf overschattende machtshebbers. Maar het is verbazingwekkend dat de meeste argumenten die W. van de Put (NRC Handelsblad, 30 juli) aanvoert om zo'n oproep te ondersteunen, ofwel ondeugdelijk zijn ofwel irrelevant, en dat zijn hele argumentatie anno 1997 zo riekt naar primitief anti-Amerikanisme.

In de visie van Van de Put zijn de VS op zijn minst medeverantwoordelijk voor het Pol Pot-regime vanwege de bombardementen in 1972/73 en pogen de VS nu bovendien de slachtoffers van die bombardementen in de schoenen van de Rode Khmer te schuiven door middel van het Cambodian Genocide Program. De grondslag voor dat programma is in de jaren '70 gelegd door Australische academici en in de jaren '90 is het ondergebracht bij de Yale University nadat de regering-Clinton de benodigde fondsen had gevoteerd. De leider van het programma, de Australiër Ben Kiernan, is weliswaar omstreden vanwege zijn methodologische opvattingen én omdat hij aan de genocide tussen 1975 en 1979 een raciale draai probeert te geven, maar van het opschroeven van cijfers valt hij niet te betichten. Kiernan is eerder uiterst terughoudend en kan moeilijk verantwoordelijk gehouden worden voor media die op eigen houtje reppen van twee miljoen of meer slachtoffers. Het is op zijn minst bizar dit programma dat iedereen via het Internet kan raadplegen (http://www.yale.edu/cgp), te bestempelen als een afleidingsmanoeuvre voor Amerikaanse wandaden. Wie zijn degenen die tijdens het bewind van de Khmer Rouge wel wisten wat er in Cambodja aan de hand was en dat geheim hielden? De eerste publicatie over de Rode Khmer in die periode is van de hand van Ponchaud en dateert van 1977. Die werd ongekend fel bestreden, vooral door de (jawel!) Amerikaanse spraakmakende gemeente met Noam Chomsky aan het hoofd en met ongeveer dezelfde argumenten als Van de Put alsnog hanteert: de Khmer Rouge zou een verademing betekend hebben na de terreur van de Amerikaanse bombardementen. Het is een loze bewering dat het buitenland de consequenties zou hebben kunnen zien van wat zich tijdens 'Democratisch Kampuchea' afspeelde. Pas na het verjagen van de Rode Khmer in januari 1979 was het menselijkerwijs gesproken mogelijk kennis te nemen van de omvang en de gruwelijkheid van de moord op het Cambodjaanse volk.

Het is juist dat het Westen zich te lang heeft laten leiden door het anti-Vietnamese sentiment in de VS en het is ook juist dat de verkiezingen onder leiding van de UNTAC een farce waren. Maar het is naïef om van de zwakke, eeuwig aarzelende Akashi te verlangen dat hij de Rode Khmer zou doen ontwapenen. Bovendien had Akashi voor één keer gelijk: de partijen waren niet te ontwapenen en zijn dat nog steeds niet. Van de Put vergeet overigens te vermelden dat Khieu Sampan weer vertrok naar de jungle omdat de bevolking van Phnom Penh hem verjoeg.

De georkestreerde euforie rond die verkiezingen heeft de wereld blind gemaakt voor een eenvoudige waarheid, namelijk dat succesvolle verkiezingen de uitkomst van een democratisch proces zijn en niet het startpunt. Van de Put spreekt heel gewichtig over een 'civil society' die gedragen kan worden door instituties die zich bekommeren om mensenrechten, de rechten van vrouwen en de rechtsbescherming. Zulke instellingen leiden op zich niet tot een beschaafde maatschappij en het argument van Van de Put gaat voorbij aan het feit dat er in Cambodja een politiek èn een moreel vacuüm heerst, dat het geen civiele maatschappij is en dat het ondenkbaar is dat die er tegen de zin van de regering van Hun Sen zou komen door toedoen van donorlanden die de bekende 'projecten' steunen. Gezien het totale gebrek aan communicatiemiddelen, van treinen en wegen tot elektronische middelen, valt ook niet in te zien welk deel van de bevolking de hulpvaardigheid van die donorlanden als een steun in de rug zou kunnen ervaren. Trouwens, niet de Westerse landen zijn de belangrijkste steunpilaren voor Cambodja maar Japan en Australië.

Medewerkers van de NGO'S, waarover wij eind 1994 struikelden in het duurste hotel van Phnom Penh, hebben begrijpelijkerwijs behoefte aan slachtoffers, zozeer zelfs dat ze uit hun bewustzijn bannen dat de volkerenmoord en de martelingen tijdens 'Democratisch Kampuchea' ondenkbaar zijn zonder de actieve en fanatieke medewerking van tienduizenden, meest jonge Cambodjanen die nu ongeveer 35 à 40 jaar oud zijn. Cambodja en de Cambodjanen hebben in de eerste plaats behoefte aan een beter economisch klimaat en in het voetspoor daarvan aan rechtvaardiger sociale verhoudingen. In Cambodja bestaat geen infrastructuur van enige betekenis, er is geen enkele bestuurlijke, technische of commerciële expertise, regulier onderwijs bestaat nauwelijks en de kloof tussen de boeren (90 procent) en de stadsbevolking is schrikbarend groot.

De gulle hulp van de klassieke ontwikkelingssamenwerking valt daarom per definitie in onvruchtbare aarde. Scholing, economische ontwikkeling en industrialisatie vormen geen panacee tegen onrecht en barbarij maar ze kunnen ertoe bijdragen dat de bevolking zich bewust wordt van wat ze met democratische middelen te verdedigen heeft. Hulp daarbij door andere landen, of die nu belangeloos is of niet, lijkt mij in Cambodja onontbeerlijk en iedere dollar of gulden daarin geïnvesteerd, is welbesteed. Schuldgevoel omdat 'wij' iets goed te maken zouden hebben, is ongeveer de slechtst denkbare grond voor efficiënte, pragmatische steun en bijstand.

    • C.P. Roovers
    • Bezoekt Zuidoost-Azië Regelmatig