Economische groei

In de discussie of economische groei en milieubescherming kunnen samengaan geeft Roefie Hueting (2 augustus), daarbij een voor mij nieuwe inhoud aan het begrip groei: “als iets duurder wordt heeft dat een negatief effect op het niveau van het nationaal inkomen”. Laat ik nu altijd gedacht hebben dat onder nationaal inkomen/product wordt verstaan: 'de som van de toegevoegde waarden van de verschillende productiestadia van alle bedrijfstakken' (de formulering ontleend aan de Grote Winkler Prins 1977).

Van groei is alsdan sprake wanneer de aan een product toegevoegde waarde stijgt, ongeacht of dit voortkomt uit een meer milieuvriendelijke (en duurdere) productie dan wel uit de grillige wensen van de klant: duurdere sierstrippen op de auto.

Met dit laatste beoog ik overigens niet milieuzorg als een gril te duiden. Maar in economisch opzicht is het verschil in mijn ogen niet terzake. Want ik zie het nationaal inkomen volgens bovenstaande formule als min of meer een maat voor de frequentie waarmee een gulden van de ene hand in de andere overgaat. Hoe vaker deze gulden bij ons terugkeert, des te meer hebben wij te besteden. En dat maakt ons gelukkig - zolang de politici ervoor zorgen dat wij hun collectieve 'grillen' evenzeer waarderen als onze individuele uitspattingen. Slechts deze waardering behoort naar mijn mening de inzet van het debat te zijn.

Het heeft geen zin op de rest van Huetings betoog in te gaan. Als er zodanig verschil kan bestaan tussen de opvattingen over de gehanteerde economische begrippen verwordt discussie tot hol woordgebruik.