De vriendschapsbanden van Toorop, Koch en Rietveld

Tentoonstelling: Pyke Koch, Charley Toorop, Gerrit Rietveld. T/m 28 sept, Centraal Museum Utrecht, Agnietenstraat 1. Di t/m za 10-17u, zo 12-17u. Inl (030) 236 23 62

Het grote, boerse hoofd van Gerrit Rietveld domineert op het schilderij De maaltijd der vrienden van Charley Toorop uit 1933. Behalve Rietveld en Toorop zelf, rechts onder Adriaan Roland Holst, staat ook Pyke Koch afgebeeld, die als enige een sigaretje rookt.

Het schilderij is een van de eerste werken die je ziet bij het betreden van de tentoonstelling over Pyke Koch (1901-1991), Charley Toorop (1891-1955) en Gerrit Rietveld (1888-1964) in het Centraal Museum in Utrecht. Dat is niet voor niets, want het werk bevat de rechtvaardiging voor het bijeenbrengen van drie zo verschillende kunstenaars: ze waren bevriend met elkaar en waardeerden elkaars werk. De eerste contacten werden gelegd in Utrechtse kunstenaarskringen. En in de jaren dertig kwam zowel Koch als Rietveld regelmatig op bezoek bij Toorop in Bergen.

Pyke Koch bekeerde zich, na een aanvankelijke belangstelling voor het surrealisme, waarvan het vroege werk Suicide et souvenir (1928) getuigt, zeer snel tot het magisch realisme. Zelf omschreef hij dat ooit als 'voorstellingen die wel mogelijk, maar niet waarschijnlijk zijn'. Deze voorstellingen werden door Koch steeds op een realistische, technisch perfecte wijze geschilderd, waardoor het contrast met de aard van het onderwerp een bevreemdend effect heeft op de toeschouwer. Kochs oeuvre bestaat uit ongeveer 110 schilderijen. Hij werkte vaak maandenlang aan één schilderij, en was zeer kritisch op zijn werk. Schilderijen die bij nader inzien toch niet goed genoeg waren, vernietigde hij.

Voor deze tentoonstelling heeft het Centraal Museum enkele Kochs en Toorops geleend van het Museum voor Moderne Kunst in Arnhem. Een van de geleende Kochs is Vrouwen in de straat (1962-64), waarop drie vrouwen met harde trekken en bruine gebitten, misschien prostituees, voor een muur staan. In de krijtstrepen op de muur kunnen de letters 'P' en 'K' herkend worden - de initialen van de schilder, maar mogelijk ook allebei de eerste letter van een drieletterwoord. Dit beeldraadseltje zou kunnen duiden op de geslachtelijke ambiguïteit van de drie personen.

Koch was namelijk gefascineerd door mannelijke vrouwen, door hem zelf omschreven als 'hard boiled wijven'. Deze fascinatie is al vroeg zichtbaar in Mercedes de Barcelona (1930), het portret van een vrouw met koele kikkerogen, en als attributen een sigaar en een krultang voor het korte haar. Latere voorbeelden zijn de slangenmensen - op de tentoonstelling zijn De grote contorsioniste (voorstudie, 1956) en De contorsioniste (1955/63) te zien. Het is niet altijd duidelijk of de figuren nu mannen of vrouwen zijn, of geslachtsloos. Koch is jarenlang bezig geweest met het idee een hermafrodiet te schilderen. Een ver gevorderde poging vernietigde hij, maar de houding en het hoofd van deze verloren hermafrodiet gebruikte hij later voor de prostituee in De receptioniste (1978), zodat je je ongeveer kunt voorstellen hoe dat werk er uit zag.

Ten slotte is daar dan het Zelfportret met zwarte band uit 1937. Het is een heel mooi, precies portret van de harde kop van Koch, half in schaduwen. Er zou verder niets mee aan de hand zijn, als het niet ook getuigde van Kochs halfslachtige bewondering voor het Italiaanse fascisme. Maar misschien is het juist de tendentieuze lading die het werk zo bijzonder maakt: bij de toeschouwer strijden moraal en esthetisch gevoel om voorrang. Hoe kan iets dat zo fout is toch zo mooi zijn?

Charley Toorop nam Kochs bewondering voor het fascisme niet al te serieus, omdat ze meende dat die bewondering vooral van esthetische aard was. Iets van Toorops linkse oriëntatie is te zien in haar portretten van volkse types. Haar expressieve, wat minder genuanceerde schilderstijl leent zich uitstekend voor de wat ruwere koppen. Een goed voorbeeld is Vijf Zeeuwse boeren (1930), vijf intrigerende, onverzettelijke boerengezichten met de kleur van de aarde waarop ze werken.

Bij de technisch perfecte Koch komen sommige schilderijen van Toorop over als naïef amateurwerk - vooral daar waar ze haar sterkste punt, het portret, verlaat voor stillevens en natuurschilderingen. Bijzonder mooi is haar Liggend naakt (1932), dat zich meten kan met de naakten van Modigliani.

Wat verloren temidden van de schilderijen staat nog een aantal meubels van Rietveld opgesteld. Ze komen nauwelijks tot hun recht. Aardig is het grijze schilderstafeltje dat Rietveld speciaal voor Toorop ontwierp. Verder hangt er zijn driebuizenlamp uit 1922, en er staan wat maquettes, onder andere van het Rietveld-Schröderhuis. Alleen een biografische relatie lijkt een wat zwakke rechtvaardiging voor de aanwezigheid van Rietvelds werk op deze tentoonstelling.