Archeologen zijn graf Perikles op het spoor

ROTTERDAM, 7 AUG. Griekse archeologen hebben in het centrum van Athene vier graven blootgelegd die mogelijk toebehoren aan soldaten die gesneuveld zijn in het eerste jaar van de Peloponnesische Oorlog (431-404 v.Chr.). Dit is woensdag bekendgemaakt door het Griekse ministerie van Cultuur.

In de buurt van de Kerameikos, het antieke grafveld aan de voet van de Akropolis, vonden de archeologen vier kalkstenen graven met daarin as en verbrande beenderresten. Onder aarden heuvels in de directe nabijheid werd ook een groot aantal luxe siervazen aangetroffen, daterend van 430 voor Christus en beschilderd met afscheidsscènes en gevechtstaferelen. Volgens de archeologen moeten in de buurt van deze graven ook de laatste rustplaatsen te vinden zijn van de Atheense leiders Kleisthenes en Perikles, die in 429 v.Chr. tijdens een pestepidemie in Athene overleed.

“Dit is een belangrijke ontdekking, waarover generaties archeologen hebben gespeculeerd”, zei de directeur antiquiteiten van het ministerie van Cultuur, Jannis Tzedakis. “We zijn hier heel dicht bij de plaats waar Perikles zijn beroemde grafrede hield.” De erebegraafplaats, gelegen buiten de stadsmuren, werd traditioneel gebruikt voor gesneuvelde soldaten, die bovendien werden geëerd met een toespraak van de meest vooraanstaande burger van Athene. In het begin van de Peloponnesische Oorlog, de machtsstrijd tussen democratisch Athene en oligarchisch Sparta, was dat Perikles.

De zogeheten Lijkrede van Perikles, gehouden in de winter van 431/430 v.Chr., geldt als een van de hoogtepunten van het werk van Thucydides, die aan het eind van de vijfde eeuw de geschiedenis van de Peloponnesische Oorlog schreef. In de toespraak verheerlijkt Perikles de democratische staatsvorm en de daarmee samenhangende Atheense verworvenheden: 'Wij hebben de schoonheid lief zonder verkwisting; wij hebben de wijsheid lief zonder weekheid; rijkdom is voor ons een middel tot werkzaamheid, niet een reden tot bluf (...) onze gehele stad is een leerschool van Hellas'. Waarna hij besluit met een lofrede op de gevallenen: 'Het einde van deze mannen toont ons wat moed is in zijn eerste openbaring en laatste bezegeling (...) In de strijd met het gevaar voor ogen wensten zij op eigen kracht te vertrouwen. Overtuigd dat het eervoller was zich te verweren en te sneuvelen dan te wijken en het leven te redden (...) wierpen zij hun lichaam in de strijd (...) Zij verdienden eer die nooit veroudert, het mooiste praalgraf - niet de tombe waarin hun lichamen liggen, maar de menselijke herinnering waarin hun glorie voortleeft.'