Tim Roth

In de serie profielen van gezichtsbepalende sterren deze week Tim Roth. De acteur die vaak opgewekt de rol van schurk speelt, was te zien in films van Quentin Tarantino, Stephen Frears en Mike Leigh voordat die beroemde regisseurs werden.

In de jaren vijftig en zestig werden bijrolacteurs die in Hollywood uitsluitend snoodaards vertolkten veelal aangeduid als 'heavies'. Een beetje schurk moest immers vooral imponeren door zijn omvang en gewicht, al waren er uitzonderingen zoals Elisha Cook Jr. Je zou de Britse acteur Tim Roth (Londen, 14 mei 1961) een typische 'heavy' van de jaren negentig kunnen noemen: broodmager, neurotisch en voortdurend op scherp staand. Ook in de keuze van zijn films verraadt Roth een scherpzinnige intelligentie en een neus voor gevaar. De hipste regisseurs van controversiële, vaak gewelddadige films hadden niet zelden Tim Roth in hun debuutfilm.

Het grote publiek kent de aanvankelijk als beeldhouwer opgeleide Britse quasi-psychopaat vooral door zijn rol van de door Goldie Hawn bij haar thuis uitgenodigde seriemoordenaar in Everyone Says I Love You (Woody Allen, 1997) of als de in beeld doodbloedende 'undercover cop' Mr. Orange in Quentin Tarantino's Reservoir Dogs (1992). Dat Roth een mascotte is van Tarantino blijkt ook uit zijn sleutelrollen aan het begin en het einde van Pulp Fiction (1994) en als de piccolo in de raamvertelling van Four Rooms (1995).

Na een debuut als skinhead in de televisiefilm Made in Britain (1982), speelde Roth al in films van Mike Leigh (Meantime, 1983) en Stephen Frears (The Hit, 1984), toen buiten Engeland nog niemand iets van hun uitzonderlijke talent afwist.

Roth was een 17de-eeuwse gangsteradjudant in The Cook, The Thief, His Wife and Her Lover (Peter Greenaway, 1989), een Russische mafioso in Little Odessa (James Gray, 1994) en kreeg een Oscarnominatie voor de rol van een met zijn zwaard spelende Engelse Schottenmoordenaar in Rob Roy (Michael Caton-Jones, 1995).

Ook in meer serieuze films balanceert Roth voortdurend op de rand van de waanzin, bijvoorbeeld in de televisiefilm naar Conrads Heart of Darkness (Nicolas Roeg, 1994), in de met een Gouden Leeuw onderscheiden Shakespeareaanse komedie Rosencrantz and Guildenstern Are Dead (Tom Stoppard, 1990) en uiteraard als een geprangde Van Gogh in Vincent and Theo (Robert Altman, 1990).

De verandering in de opvattingen over filmschurkendom is niet alleen een kwestie van fysiek versus mentaal. In de moderne geweldfilm - en niet alleen die van Tarantino, hoewel hij wel het schoolvoorbeeld vormt - is humor of op z'n minst ironie onontbeerlijk geworden. Roth speelt doorgaans een slechterik tegen wil en dank, die zich half bewust is van zijn morele marginaliteit. Daarin onderscheidt hij zich van land- en generatiegenoot Gary Oldman (zijn tegenspeler in Rosencrantz and Guildenstern Are Dead), die eerder triest dan opgewekt zijn lot van kwaaie pier lijkt te dragen. Roth pleegt zich er grijnzend doorheen te slaan, met een charisma vol dubbele bodems. Een echte ster is hij nog niet, maar die doorbraak kan niet lang meer uitblijven: zijn personages zijn wel toonaangevend, en ik ken al een paar mensen die soms vanwege Tim Roth een film uitkiezen.