Pétain verdient geen eerherstel

Rein Gerritsen betoogt terecht dat het onzin zou zijn om Pétain alleen maar eerherstel te onthouden om het Franse antisemitisme van weleer schoon te wassen (NRC Handelsblad, 14 juli). In zijn argumentatie gaat Gerritsen er echter van uit dat er reden zou zijn om Pétain dat eerherstel te geven, en daarbij vervalt hij in een variant van de misvatting waarvan politici zich zo vaak bedienen.

Die misvatting luidt: 'Ik heb geen (persoonlijke) schuld aan deze of gene misstand, dus hoef ik niet af te treden'. Zo zou Pétains persoonlijke rol in en schuld aan de misslagen van het Vichy-regime onvoldoende vaststaan om hem eerherstel te onthouden.

Persoonlijke schuld wordt hier verward met openbare verantwoordelijkheid. Pétain gaf zijn naam, zijn gezag en zijn reputatie aan een regime dat in juni 1940 politici die het verzet wilden voortzetten, arresteerde (Mandel, de minister van Binnenlandse Zaken, werd zonder ooit nog te zijn vrijgekomen in 1944 door de nazi's vermoord), dat zijn vloot in Toulon niet toestond te ontsnappen naar haar bondgenoot Engeland, dat op 3 juli 1940 zijn vloot te Oran liever liet vernietigen dan deze zich aan diezelfde bondgenoot te laten overgeven en dat later actief meewerkte aan de jodenvervolging.

Zo maakte hij zich als self-styled 'Chef d'Etat' van het 'vrije' Frankrijk mede-verantwoordelijk voor de wandaden van het Vichy-regime, of hij daarin nu de kwade genius was of niet. De vergelijking met Céline die wordt gemaakt gaat dan ook mank: die was en bleef schrijver en zocht geen rol in de hoogste niveaus van de regering van zijn land. Céline kan daarom beoordeeld blijven worden op zijn literaire verdiensten, met een kritische noot ten aanzien van zijn antisemitisme. Omgekeerd zijn de persoonlijke opvattingen van Pétain en zijn persoonlijke antisemitisme, zo hij daarmee was behept, niet relevant. En het gaat er evenmin om dat hij een oorlog eerder een bewonderenswaardig legeraanvoerder was. In die rol behoeft hij geen eerherstel; de plaats in de geschiedenis die hij daarmee verwierf, kan niemand hem afnemen.

Wat Pétain deed, was dat hij zich liet gebruiken als boegbeeld van een regime dat na disloyaliteit aan zijn eerdere bondgenoot, ook nog eens een Franse bijdrage leverde aan de holocaust. Misschien heeft hij dat laatste niet gewusst, maar hij was er als regeringsleider verantwoordelijk voor om juist dat soort dingen te weten en er dan stelling tegen te nemen. Dat is de prijs van een hoog ambt en het daarin dragen en nemen van verantwoordelijkheid. Daarmee kan aan een volk getoond worden waar de keuze tussen goed en kwaad ligt.

Het is ook niet zo dat regeringsleden “de kuierlatten richting veiliger oorden” namen, zoals Gerritsen in misprijzende ondertoon schrijft, en de Franse al zeker niet. De Pétain-defaitisten verhinderden actief dat de Massilia met aan boord Daladier, de al genoemde Mandel, Campinchi en een groep van 25 parlementariërs naar Engeland uitweek. De Gaulle kon slechts dankzij een list uit Bordeaux ontsnappen.

Gerritsens toon doet dan ook ook onrecht aan regeringen en regeringsleden die zich verplaatsten naar een omgeving van waaruit zij het verzet konden leiden en daarbij aan hun landgenoten lieten zien dat zij onder een bezettingsregime als dat van de nazi's niet langer verantwoordelijk konden zijn voor decent regeren. Zo behoort iedere bestuurder te doen die meent dat hij de taak waarvoor hij bestuurlijke eindverantwoordelijkheid draagt, niet naar behoren meer kan uitvoeren: die legt hij neer en hij trekt zich terug, of, en dat is in extreme omstandigheden een reëel alternatief gebleken: hij verplaatst zich naar een omgeving waar hij meent die taak wel en naar behoren te kunnen uitvoeren. Daarna kunnen zijn ondergeschikten de winkel draaiende houden, zoals de Nederlandse secretarissen-generaal in 1940 terecht deden. Zij waren niet bestuurlijk eindverantwoordelijk, en zolang van hen geen concrete daden werden gevergd die zij in geweten niet zouden kunnen verantwoorden, dienden zij hun functie uit te oefenen.

Pétain maakte in een existentiële crisissituatie als hoogstverantwoordelijk regeringsleider een fundamenteel verkeerde keuze. Hij gaf zijn Fransen een verkeerd voorbeeld en de verkeerde indruk als zou met de nazi's tot een vorm van respectabele co-existentie gekomen kunnen worden. Toen dat een misvatting bleek en hij daaraan geen consequenties verbond, uit onwijsheid, onwetendheid of een bewust foute houding, verloor hij als leider der Fransen zijn eer en geen eerherstel kan die fout goedmaken. Dat heeft niets te maken met zijn persoonlijke opvattingen, zijn verdiensten als eminent soldaat, zijn beweegredenen of met de vraag of er bloed aan zijn handen kleeft.

Wie toestaat dat zich onder zijn openbare verantwoordelijkheid majeure misslagen voordoen, doet er wijs aan af te treden en het ruimen van het puin of het vormgeven aan verder beleid aan zijn opvolgers over te laten. Wie dat nalaat faalt als openbare persoonlijkheid. Afwezigheid van persoonlijke schuld en verdiensten op ander terrein zijn daarbij irrelevant.

Gerritsen moet dus niet klagen over een verkeerde grond om Pétain voor zijn rol als Frans regeringsleider geen eerherstel te verlenen. Dat wekt de suggestie als zou daar overigens voldoende grond voor bestaan. Voorshands en totdat blijkt van grote, geheim gebleven verdiensten van Pétain voor de Frans-geallieerde zaak zijn er geen gronden terug te komen op het onderzoek en oordeel in het eind van de jaren veertig over zijn functioneren.