Kroonjuwelen automatisering in de uitverkoop

Financiële ondersteuning voor de commerciële exploitatie van een technische vondst is in Nederland moeilijk te vinden. Snelgroeiende automatiseringsbedrijven moeten in Amerika op zoek naar kapitaal. Staan Nederlands 'kroonjuwelen' in de uitverkoop?

ROTTERDAM, 6 AUG. Als directeur J. Mol van het Nederlandse softwarebedrijf Prolin een café bezoekt in buurt van Palo Alto (Silicon Valley) is het gespreksonderwerp van andere bezoekers niet moeilijk te raden. “Aan de tafel naast je wordt gesproken over een goed idee en hoe daarmee een bedrijf kan worden begonnen”, zegt Mol. “En de lokale kranten staan bol van de advertenties van aanbieders van venture capital.”

Met zijn observatie illustreert Mol de zijns inziens unieke combinatie van technische kennis, risicodragend kapitaal en ondernemerschap die is ontstaan in Silicon Valley, de landstrook tussen San Francisco en San Jose in Californië. “Je kunt daar een paar miljoen startkapitaal bijeen krijgen met niets anders dan een idee”, zegt hij. “Het kan dan nog best twee jaar duren voordat een investeerder het eerste product onder ogen krijgt. Zoiets bestaat niet in Nederland.”

“Hier moet een automatiseringsbedrijf met consultancy zorgen voor brood op de plank”, aldus Mol. “Misschien dat er dan in de marge nog ruimte overblijft voor de ontwikkeling van een vernieuwend product.” Financiers over de streep trekken met een luminieuze inval is volgens Mol in Nederland vrijwel onmogelijk.

Al geruime tijd wordt geprobeerd daarin verandering te brengen. Het ministerie van Economische Zaken doet een duit in het zakje met een startersfonds ten behoeve van beginnende ondernemingen in de automatisering en (tele)communicatie, dat na de zomer actief wordt. En de gebroeders Baan van het gelijknamige automatiseringsbedrijf hebben het Silicon Polder-fund in het leven geroepen, dat met 3 miljoen gulden beginnende ondernemers een steuntjein de rug moet bieden. “Met zo'n bedrag kun je heel wat mensen die in een garage zitten te prutsen een aanmoedigingspremie geven”, zegt president-commissaris P. Baan van de automatiseerder. Maar er bestaat niet alleen zorg over de beperkte hoeveelheid Nederlands risicokapitaal die zijn weg vindt naar beginnende ondernemers. Ook snelgroeiende bedrijven die al langer bestaan moeten vaak een beroep doen op financiering vanuit Amerika. Op die manier wordt ook de zeggenschap over Nederlandse bedrijven overgeheveld naar de andere kant van de Atlantische Oceaan, zo constateert het ministerie van Economische Zaken met zorg.

Een recent voorbeeld daarvan is het Houtense Syllogic (omzet 1996: 23 miljoen) dat dit jaar is overgenomen door Perot Systems, de onderneming van de voormalige Amerikaanse presidentskandidaat Ross Perot. Ook het softwarebedrijf Prolin van Mol is onlangs in Amerikaanse handen gekomen, het bedrijf werd overgedragen aan Hewlett-Packard.

Moeten deze verkopen gezien worden als een teken aan de wand voor de Nederlandse automatiseringsbranche? Worden de Nederlandse “kroonjuwelen” (aldus het ministerie van Economische Zaken) te gemakkelijk in de uitverkoop gedaan?

Ondernemers wijzen erop dat Amerikaanse overnemers Nederlandse bedrijven meer te bieden hebben dan een financiële injectie. “Als onderdeel van Hewlett-Packard hebben wij toegang tot een wereldwijd distributienetwerk en een enorme klantenkring. De VS vertegenwoordigen bijna de helft van de wereldmarkt”, aldus Mol van Prolin. “Wij zijn nu bijvoorbeeld bij Boeing binnengekomen.”

Het veronderstelde gebrek aan durfkapitaal voor Nederlandse bedrijven die actief zijn in de informatie- en communicatietechnologie is omstreden. “Ik vind die suggestie een beetje jammer”, zegt beheerder T. den Heijer van het beleggingsfonds Gilde IT (beheerd vermogen omstreeks 200 miljoen gulden). “Wij hebben in het afgelopen jaar veel geld besteed om uit te zoeken waar ondernemers zitten met goed ideeën.” Volgens Den Heijer hebben verstrekkers van risicokapitaal begin jaren negentig (“na enkele mindere ervaringen”) de aandacht even verlegd van technologie naar andere sectoren. “Maar sinds 1994 is de animo terug.”

Evenals Mol van Prolin heeft directeur D. Zantinge van Syllogic zijn bedrijf niet uitsluitend bij een Amerikaanse partij ondergebracht vanwege de financiële spankracht. “Wij hadden tien miljoen dollar nodig”, zegt hij. “Niemand in Nederland dorst dat op te brengen. Maar voor ons is het ook belangrijk dat we via Perot toegang krijgen tot een mondiaal apparaat voor marketing en verkopen.”

Ook het succesverhaal Baan had zonder Amerikaanse steun niet geschreven kunnen worden. Baan balanceerde begin jaren negentig langs de rand van de afgrond. De komst van de gerenommeerde participatiemaatschappij General Atlantic bracht Baan binnen bij belangrijke klanten als vliegtuigfabrikant Boeing. “General Atlantic opende voor ons deuren”, zegt P. Baan. “Zonder hen hadden wij ons avontuur in Amerika niet kunnen ondernemen.”

Directeur S. Roelofs van belangenorganisatie Fenit van automatiseerders erkent dat bedrijven “soms een duidelijke reden hebben om Amerikaanse aandeelhouders te zoeken”. “Dat geldt bijvoorbeeld voor ondernemers die voet aan de grond willen krijgen in Amerika”, zegt zij. Maar er zijn volgens Roelofs ook bedrijven die kiezen voor buitenlandse financiering terwijl dat niet nodig is. “Dat is zonde,” meent zij.

Nederlandse participaties in binnenlandse bedrijven worden wel aangeprezen met een schuin oog naar het bedrijvencluster in Silicon Valley waarvan de verstrekkers van durfkapitaal een onmisbaar onderdeel zijn. Het Californische model staat ten voorbeeld aan projecten in onder meer Israël, Taiwan, India, Maleisië en Groot Brittannië. Ook in Nederland wordt verlekkerd gekeken naar het mengsel van technologisch sterke aanbieders van producten, toeleveranciers, universiteiten, laboratoria en financiers.

“Economische Zaken investeert waarschijnlijk enkele miljoenen in het startersfonds”, zegt Mol. “Dat is mooi, maar de schaal waarop het gebeurt is een lachertje. Maleisië pompt miljarden in de creatie van een tweede Silicon Valley. Bedrijven worden daardoor als een magneet aangetrokken.” Den Heijer voorziet een zonnige toekomst als Nederland tien procent van de investeringen in dijken, havens en vliegvelden zou besteden aan een communicatienetwerk met een hoge capaciteit. “Die Betuwelijn had onder de grond gemoeten”, beaamt ook Zantinge van Syllogic.

Nederlandse participatie in binnenlandse bedrijven zal weinig bijdragen aan de vorming van zo'n cluster, vrezen ondernemers en investeerders. “Dat is een vreselijk naïef idee”, zegt Zantinge van Syllogic. “Natuurlijk hebben we hier een paar universiteiten die goede relaties hebben met automatiseerders. Maar informatietechnologie is internationaal. Je moet niet proberen je eigen kennispolder op te zetten.”

Volgens Zantinge heeft Syllogic bij de overname door Perot Systems contractueel vastgelegd dat de kennis en expertise van zijn bedrijf voor Nederland behouden blijft. Dat geldt bijvoorbeeld voor het zogenoemde data mining - een techniek voor het zoeken van patronen in grote databestanden - waarin Syllogic is gespecialiseerd.

“Who cares als een bedrijf dat hier is opgebouwd en hier wordt uitgebouwd voor honderd procent in buitenlandse handen komt? Eigendomsverhoudingen zijn een non issue,” zegt Den Heijer van Gilde Investment. “Geld is geld zou ik zeggen”, beaamt J. Baan.

Mol van Prolin wil wel erkennen dat zijn bedrijf gebaat had kunnen zijn bij een Nederlandse financier. “Maar die had er dan in een veel vroeger stadium bij moeten zijn”, zegt hij. Mol speelt met het idee voor een fonds voor beginnende ondernemers waarmee hij in de voetsporen van Baan zou treden. “Als wij vier jaar geleden toegang hadden gehad tot meer risicodragend kapitaal hadden we veel sneller kunnen groeien en intussen een forse voorsprong opgebouwd. Dan hadden we nu al honderd miljoen omzet gerealiseerd.”