H.J.A. Hofland

De staat bewaakt het algemeen welzijn van de burgers. De manier waarop hij dat doet is in wetten vastgelegd. De wetten zijn via democratische procedures tot stand gekomen. Daaruit volgt dat de burgers in grote trekken dit welzijn laten bewaken op de manier die ze zich wensen.

In Nederland is de afgelopen halve eeuw een systeem gegroeid dat ook binnen de westerse beschaving in menig opzicht uitzonderlijk is. We hebben met zelden aflatend perfectionisme geprobeerd een verzorgingsstaat te organiseren. Die is, ook nadat hier de vrije markt werd omhelsd, in vergelijking met het meeste buitenland nog altijd genereus, soms van een onverbiddelijk rigorisme, en weleens ondraaglijk van bureaucratie. Zorg, opvang en verzorging zijn sleutelwoorden in de Nederlandse politiek.

Daarnaast is in Nederland de afgelopen dertig jaar een hyper-individualisme gegroeid, dat met de collectieve inslag van de verzorgingsstaat in tegenspraak lijkt. Ook in dit hyperindividualisme is Nederland, vergeleken met het meeste westerse buitenland, uitzonderlijk. Het is alweer bijna 25 jaar geleden dat hier de strijd tussen de behoudenden en de toen vooruitstrevenden tot een uitbarsting kwam in het conflict om de abortuskliniek Bloemenhove. Met de wetgeving nog in voorbereiding was de praktijk van de meeste Nederlandse artsen al zeer liberaal. Toch heeft in 1974 nog een kabinetscrisis gedreigd. Op het ogenblik kan abortus een groot persoonlijk vraagstuk zijn, maar het is door de wetgever met minimaal voorbehoud vervolgens verwezen naar het gebied waar patiënt en arts hun eigen verantwoordelijkheid dragen. De staat heeft zich zo ver mogelijk teruggetrokken.

De meerderheid van de kiezers wil dat de staat zich niet aan de verantwoordelijkheid voor het welzijn van de burgers onttrekt als het gaat om het gebruik van alcohol, tabak en drugs. Daarom staan er waarschuwingen op de pakjes sigaretten en hebben café's vergunningen nodig. Hier is het merkwaardige dat roken en drinken blijkbaar meer tot de collectieve zorg gaan horen, terwijl het blowen tot voor kort via het 'gedogen' naar een schemergebied tussen het collectief welzijn en het particuliere rijk van het individu werd verwezen.

Doordat Nederland niet alleen op de wereld is, kreeg het te maken met het buitenland waar andere opvattingen heersen. Nederlanders exporteren hun product naar landen waar dat verboden is, en sommige grenssteden in Nederland worden bezocht door de toeristen die in de zegeningen van de gedoogbeschaving willen delen. Heerlen, Terneuzen, Maastricht. Op zijn vingers kon men natellen dat het verkeerd zou gaan. Vandaar dat de gedogers zich nu op allerlei manieren onder hun onder het mom van 'tolerantie' gegeven beloften proberen uit te draaien. (Zie bijvoorbeeld het 'Verslag van een notaoverleg' van de Tweede Kamer, 26 juni 1997). Gedogen is, behalve het gratis verstrekken van valse beloften, het begrip binnen welks vage grenzen hyperindividualisme en verantwoordelijkheid van de staat botsen.

Een belangrijk hoofdstuk in de geschiedenis van de verhouding tussen staat en individu behelst het debat over euthanasie, medische hulp bij zelfdoding en zelfmoord. (Terwille van de duidelijkheid van dit stukje verklaar ik mijn standpunt: ik ben ervan overtuigd dat ik de enige ben die het recht heeft, het einde aan mijn leven te maken, en iemand anders daartoe, onder omschreven omstandigheden, de bevoegdheid te geven. Of de laatstgenoemde de bevoegdheid wil gebruiken is een andere zaak). Ook op dit gebied heeft de Nederlandse staat al veel van zijn collectieve verantwoordelijkheid prijsgegeven aan die van het individu. De gebruiken zijn hier 'liberaler'; de wetgeving zal het waarschijnlijk ook geleidelijk worden.

Met bekwame spoed gaat zoiets vanzelfsprekend nooit, en dat is maar goed ook. Maar hoe hyperindividualistisch, of geleid door collectief beleden beginselen er in Nederland ook over mag worden gedacht, we laten in onze snelheid van denken en handelen het overigens verwante buitenland vèr achter. Vandaar dat bijvoorbeeld in niet eens de conservatiefste Amerikaanse kringen Nederlandse artsen wel voor verkapte moordenaars worden aangezien. (Zie bijvoorbeeld Herbert Hendin, De dood als verleider).

De afgelopen week heeft het debat zich op weer een nieuw hoofdstuk in de nieuwe Nederlandse geschiedenis van leven en dood geconcentreerd: het 'versterven'. De sfeer, het gebied, de overwegingen, dit alles samen, het complex, lijkt mij als leek aanmerkelijk vager en ingewikkelder dan dat van abortus en euthanasie. Ik grond mijn oordeel op het scherp geformuleerde artikel van B.E. Chabot in deze krant van gisteren, en het verslag in de Volkskrant, over het bijtijds beëindigde 'versterven' van 62-jarige Roel Mulder, tijdelijk patiënt in het Blauwbörgje die nu thuis weer levenslustig “spinazie en vla eet”.

Theoretisch weet ik, binnen de grenzen van de geëvolueerde Nederlandse ethiek, niets tegen het betoog van Chabot in te brengen. Maar de praktijk van het Blauwbörgje en waarschijnlijk andere oorden blijkt zich niet aan de theorie te houden. Vermoed wordt dat er een ongeteld aantal patiënten 'versterft' in de tehuizen van onze voorbeeldige verzorgingsstaat. Gebeurt dit al volgens de regels die de Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst binnenkort bekend zal maken? Geen mens weet het. Tegenover de zorgvuldig geformuleerde regels van de KNMG staat de kennelijk onbekende praktijk in sommige (een paar?, tien?, twintig?) verzorgingstehuizen.

Hoe maken we zo vlug mogelijk een eind aan deze krankzinnige toestand? Dat ten eerste. En de tweede vraag, die betrekking heeft op de geschiedenis van een halve eeuw Nederlandse beschaving, is: hoe heeft het kunnen ontstaan? Is het niet een absurd-perfectionistische vervulling van de verzorgingsstaat in de ongelukkigste combinatie met een arrogant hyperindividualisme? “Ik, van de perfecte zorg, kan daardoor een leven beëindigen, op eigen gezag, zonder dat daarom is gevraagd”, zegt verzorger X. Dat het gebeurt geeft al te denken. Als het een geheime gewoonte blijkt te zijn, is op dit kruispunt van hyperindividualisme en zorg de staat schuldig aan misdadige nonchalance.