Het raadsel van de universele hotelkamer

Volker Albus en Klaus Klemp maakten foto's van douches, nachtkastjes, en deurknoppen in hotelkamers. Van de in totaal 800 opnamen is een deel nu, uitvergroot, te zien in de Kunsthal in Rotterdam. Een poging tot een museale blik op de hotelkamer.

Tentoonstelling: Niet storen a.u.b. Hotelkamers door Volker Albus. T/m 31 augustus, Kunsthal, Rotterdam, toegangsprijs ƒ 10,-

De beste hotelkamer, de kamer waarin alles aanwezig is waardoor de ruimte tot hotelkamer wordt, is geschilderd door Edward Hopper, in 1931. Zulke hotelkamers zijn er nu nog; de universele hotelkamer die geen sporen van een persoonlijke geschiedenis draagt, onbelast voor de gast die daar zijn eerste blik werpt, zijn eerste schrede zet. Zo moet een hotelkamer zijn, in het Grand Hotel, een Hilton, langs de grote weg, in een gehucht, in de wereldstad. Een hotelkamer wordt vijandig als je daar ook maar een gering spoor van de vorige bewoner vindt.

Hopper heeft een dramatische voorstelling geschilderd: het geluidloos begin van het drama dat zich afspeelt tussen de nieuwe bewoonster en de ruimte die nog leeg is, maar straks door haar, strikt persoonlijk, met nieuwe daden (of het gebrek daaraan) zal worden gevuld. Deze hotelkamer vertegenwoordigt de nog vrije ruimte in de tijd van de bewoonster - in tegenstelling tot haar huiskamer en haar werkvertrek, die gesloten ruimten zijn door het verleden met zijn verzameling van herinneringen en verplichtingen. De muren spreken alleen tegen degene die weet wat ze te vertellen hebben.

Het schilderij van Hopper stelt vragen. Er valt van alles bij te bedenken. Waar is deze kamer, hoe is de vrouw daar terecht gekomen, wat heeft ze achter de rug, wat is ze van plan, waarom heeft ze haar koffers nog niet uitgepakt? Zal ze haar geluk tegemoet gaan, of haar ondergang of is ze juist daaraan ontsnapt? De kamer van Hopper is een uitnodiging tot een anecdotische interpretatie: verzin een verhaal.

Wat de strekking daarvan ook zal zijn, het is niet waarschijnlijk dat het model van de douchekop, de vorm van de prullenmand en de wasbak en al die andere requisieten van de hotelkamer daarin een rol zullen spelen (al valt er natuurlijk wel iets in die richting te bedenken). De requisieten van Hoppers hotelkamer anno 1931 zijn niet stuk voor stuk die van een kamer in de Holyday Inn, anno 1997. Maar aan het wezen van de hotelkamer verandert dit niets. Dat dit wél het geval zou zijn is de vergissing die ten grondslag ligt aan de tentoonstelling Niet storen a.u.b., in de Rotterdamse Kunsthal.

Op hun vele reizen hebben Volker Albus en Klaus Klemp in de loop van zes jaar meer dan 800 foto's gemaakt, van kranen, douche- koppen, wastafels, nachtkastjes, deurknoppen en de niet-storen kartonnetjes die je daaraan kunt hangen, sleutels, telefoons, televisietoestellen, kussens en wat de reiziger verder in het onderkomen aantreft. Daarbij zijn toelichtingen gegeven: Bremerhaven 1991, Moskou 1995, Londen 1992. Uit deze verzameling hebben ze een keuze gemaakt. De vergrotingen van de selectie hangen nu in het Rotterdamse museum aan de muur. Het is zo'n tentoonstelling geworden waarvan je ontdekt dat je erheen bent gegaan om de catalogus te kopen. Het idee is goed, de catalogus al minder, en tentoongestelde prestaties kun je daarna beter overslaan, maar dan is het al te laat. Gelukkig hangt er verderop veel moois in de Kunsthal.

Waarom een uitvoerige bespreking van een slechte tentoonstelling? Om het goede idee - een museale blik op de hotelkamer - en om de vergissing die, jammer genoeg, de uitwerking heeft bedorven. Volker Albus en Klaus Kemp horen tot de talrijken die denken dat in de postmoderne wereld van de globale cultuur de mobiele mens, al internettend en webbend bezig is een mutatie te ondergaan waarin alle gevestigde instituten worden meegesleept. “In onze mobiele wereld is de hotelkamer onvermijdelijk tot tijdelijk huis geworden voor iedereen die er gebruik van maakt”, lezen we in de catalogus. “Toeristen, zakenlieden en asielzoekers, allen zijn afhankelijk van de instelling die we de laatste tweehonderd jaar hotel noemen. Dit boek is bedoeld om een werkelijkheidsgetrouw, hoewel vanzelfsprekend ook een subjectief inzicht te geven in de tegenwoordige stand van zaken: een blik in de kamer van een standaardhotel.”

Wat is een standaardhotel? Er is een hotelindustrie, er zijn internationale ketens waarvan het doel is, de reizigers het beste onderkomen te verschaffen. De mens anno nu wil niet meer logeren zonder warm en koud stromend water, de televisie tegenover het bed en de telefoon op het nachtkastje. Maar is met deze eenheid van requisieten een eenheid der hotels gevestigd? Een hotel langs de grote weg waar je op z'n hoogst een halve etmaal bent moet iets heel anders zijn dan een hotel in de wereldstad, ook al zullen de prullenbakken onderling uitwisselbaar zijn. En in het Franse standaardhotel is de televisie vaker hoog aan de muur bevestigd, op de route naar de badkamer zodat je waarschijnlijk 's nachts je hoofd zult stoten. Je vindt er ook, in een hoek van de kamer, de douche met onhandelbaar harmonicagordijn en de aanvoer van het water via slangen; het geheel direkt op het tapijt geïnstalleerd.

Ik meet me niet aan dat ik ook maar een duizendste van alle hotels in Parijs heb gezien, maar van de goedkope tot middelbare die ik in de loop der jaren heb leren kennen, lag in één op de twee de vloer niet waterpas. De keten van de Intercontinentals in het Oost-Europa van de Koude Oorlog kenmerkte zich door een lobby vol staatsspionnen, hoeren en zwarthandelaars. In de Hyatts en Hiltons van de grote Amerikaanse steden zijn altijd congressen van buitenlieden aan de gang. Een gerenommeerd hotel in Jakarta herinner ik me door de onder mijn kamer gevestigde disco die tot vroeg in de ochtend stampte als een oude fabriek, en door het lawaai op de gang van de Arabieren, die, ver van Mekka, zich een stuk in hun kraag hadden gedronken. Ik ken een Weens standdaardhotel waar nog stukken uit de inboedel van Sissy staan. Toch hebben al die hotels hetzelfde soort douchekop en prullenbak. Uitzondering: een YMCA in New York, een kamer ter grootte van een hangkast, zonder stromend of stilstaand water. Ik wil niet de bereisde Roel uithangen. Soms is het lot van de journalist in het buitenland dat hij van soberheid naar rijkdom naar soberheid wordt geworpen en weer terug. Daardoor ziet hij meer dan de standaard.

Er zijn allerlei soorten hotels die hun eigen geschiedenis hebben. Niet zolang geleden is bijvoorbeeld het 'budget hotel' ontstaan, in Amsterdam Hans Brinkers dat dit jaar reclame maakt met de slagzin Now Even More Dogshit in the Lobby. Hoe staat het met het familiehotel? Huis ter Duin in Noordwijk lijkt me meer een congreshotel geworden. De familiehotels staan in de zuidelijke Europese landen en ze hebben allemaal een zwembad. Aan de randen van de grote steden staan de Bastions, geen motels zo te zien, maar comfortabele slaapschuren met een parkeerterrein. Deze variatie wordt door de auteurs van tentoonstelling en catalogus genoteerd, maar ze willen meer. Wat?

“Het hotel heeft behoefte aan nieuwe openbare ruimten waar de gasten niet altijd bier of koffie hoeven te drinken aan tafeltjes die veel te klein zijn. Wat is er gebeurd met de hotelbibliotheek. Kan er geen elektronisch informatiecentrum komen? Waarom zijn de kunstwerken in hotels altijd zo lelijk? Hotellobbies moeten weer worden tot de semi-openbare ruimten waar men werkelijke ontmoetingen kan hebben. De fascinering die het hotel eigen is, heeft behoefte aan nieuwe denkbeelden om het weer fascinerend te maken.”

Zo eindigt het essay in de catalogus. Ik weet het niet. Ga eens kijken in de lobby van een groot hotel. Veel interessante mensen. Daar zitten er een paar in een hoek samen te zweren, in fauteuils voor kamerolifantjes. Het is een komen en gaan. Nieuwe gasten zetten aan de balie hun handtekening en ze laten hun creditkaart zien. Er lopen er meer dan vroeger in hun zaktelefoon te praten. Willen ze naar de bibliotheek? Daar zien ze niet naar uit. Willen we horen wat ze zeggen? Zouden die gesprekken voor de buitenstaander niet even onderling uitwisselbaar zijn als de prullenmanden op de kamers?

De hotels veranderen omdat de maatschappij verandert. Het duurzaam mooie van ieder hotel (tot nu toe) is dat de gast er een kamer huurt, voorzien van de moderne gemakken en een slot waarvan alleen de gast de sleutel heeft. Hoopt hij. Draai de sleutel om; de rest is particulier. Er bestaan nu elektronische sleutels, plastic kaartjes, passend in sloten die voor iedere gast opnieuw worden geprogrammeerd. Met het vertrek van de gast verdwijnt de formule. Daarmee is eindelijk ook het slot tot de onpersoonljkheid van de kamer gaan horen. De leegte van de anonimiteit, het ongekreukte, smetteloze laken, de gedesinfecteerde badkamer en een schoon slot. Hoe zal de volgende gast daar leven? Dat blijvend raadsel van het hotel is door Hopper geschilderd.