Gehandicapte vecht verzet vader tegen huwelijk aan

Twee verstandelijk gehandicapten uit Haarlem willen met elkaar in het huwelijk treden. De vader van de aanstaande bruidegom maakt bezwaar. De zoon heeft zijn vader voor de rechter gedaagd.

DEN HAAG, 6 AUG. Een verstandelijk gehandicapte man van 40 jaar daagt zijn vader voor de rechter, omdat hij wil kunnen trouwen met zijn vriendin. Zijn vriendin (33) is een mongooltje en wil ook graag met haar vriend in het huwelijk treden. “Zij is niet mijn vriendin maar mijn verloofde”, vertelt de zoon voordat hij het rechtszaaltje binnentreedt. “We zijn officieel verloofd op 14 december 1991.”

De vader van de gehandicapte man maakt al jaren bezwaar tegen het voorgenomen huwelijk. Hij vindt dat zijn zoon niet in staat is zijn eigen wil te bepalen. De vader is de mentor van zijn zoon, die verder niet onder curatele staat.

Het mentorschap houdt in dat de vader uitsluitend de immateriële belangen van zijn zoon behartigt. Een mentor kan niet een huwelijk tegenhouden. Op 10 juli 1997 heeft de vader daarom een 'akte van stuiting' laten opmaken. Dat wil zeggen dat hij zijn veto uitspreekt over het huwelijk. Zolang betrokkenen niets tegen de stuiting ondernemen, gaat het huwelijk niet door.

Het tegenhouden van een huwelijk is voorbehouden aan directe familieleden. Zij kunnen te allen tijde bezwaar maken tegen het huwelijk. De bloedverwanten maken bijvoorbeeld bezwaar in het geval van een absolute huwelijksbelemmering (bijvoorbeeld een broer en een zus die willen trouwen), of wanneer een huwelijk niet goed afgekondigd is of wanneer het huwelijk klaarblijkelijk ongeluk tot gevolg zou hebben, zo zegt de wet.

Het openbaar ministerie (OM) kan ook een akte van stuiting opmaken. Het komt zelden voor, maar in het geval van schijnhuwelijken of huwelijken met minderjarigen die onder een bepaalde maatregel vallen, zal het OM altijd controleren of het huwelijk in het belang van het kind is. Een minderjarige aanstaande bruid wordt door de huwelijkse staat automatisch meerderjarig.

Mr. F. Robbers, de fungerend president van de rechtbank in Den Haag, wilde gisteren geen uitspraak doen in het kort geding dat de zoon en zijn verloofde tegen de vader hadden aangespannen.

De zoon was zenuwachtig, maar hij begreep dat er veel van de uitspraak afhing. Zijn verloofde was er niet, zij lag met veertig graden koorts in bed. “Anders was zij zeker meegekomen”, aldus de zoon.

Volgens de president van de rechtbank was de zoon echter bij de verkeerde instantie terechtgekomen. Hij werd terugverwezen naar de gewone rechtbank. “Ik acht mijzelf niet bevoegd om in een kort geding de zogenoemde akte van stuiting van het huwelijk op te heffen. En het is al helemaal niet aan de president om - zoals de eisende partij mij vraagt - mensen toestemming te geven in het huwelijk treden.” De rechtbank zal echter in een gewone bodemprocedure met grote voortvarendheid uitspraak doen. Dat beloofde Robbers de aanstaande bruidegom.

De advocaat van de eisers, mr. T. Coppes, zei de weg naar de rechtbank te lang te vinden. Coppes: “Gezien het spoedeisende karakter van deze zaak - mijn cliënten willen immers op 15 augustus 1997 in het huwelijk treden - leek het mij beter de president van de rechtbank in deze zaak uitspraak te laten doen.”

In een kort geding vraagt de eisende partij in een zaak met een spoedeisend karakter om een voorlopige voorziening. Dat kan een voorschot zijn op een schadevergoeding of een boek dat uit de handel genomen moet worden.

De veertigjarige bruidegom in spe en zijn ruim zeven jaar jongere partner wonen sinds december 1991 samen in een Haarlemse woonvoorziening voor geestelijk gehandicapten. Zij hebben daar allebei een kamer. Zijn kamer hebben ze ingericht tot slaapkamer, haar kamer is de woonkamer. Het huwelijk was oorspronkelijk voorzien voor augustus 1995, maar ging toen al wegens bezwaren van de vader niet door. In 1996 volgde uitstel om dezelfde reden, maar dit keer willen de partners hun huwelijk doorzetten.

De rechtbankpresident zag het spoedeisende karakter in deze zaak niet. De eisende partij had haar huwelijk al twee keer uitgesteld en dus zouden een paar weken nu niet veel meer uitmaken. Daar kwam nog bij dat het opheffen van de stuiting geenszins een voorlopige maatregel is.

Robbers: “Eenmaal opgeheven kan het huwelijk volgende week plaatshebben. Dat is geen tijdelijke maatregel.”

De advocaat van het aanstaande echtpaar vindt dat deze akte verleend is voor een oneigenlijk doel. Stuiting van een huwelijk door een naast familielid is bedoeld om schijnhuwelijken tegen te gaan of om een te voorziene verkwisting van familiekapitaal te verhinderen.

In 1985 erkende de president van de rechtbank in Den Haag in kort geding de stuiting van een huwelijk, omdat een zoon vreesde dat de spilzieke bruid het familiezilver erdoorheen zou jagen. Dat was echter een grote uitzondering en geenszins een uitspraak om op terug te vallen, aldus mr. Robbers.

De rechtbankpresident had gehoopt dat op de zitting en door tussenkomst van een rechter de problemen tussen vader en zoon hadden kunnen worden opgelost.

De vader verscheen echter niet ter zitting. Hij is evenmin bereid door de telefoon de zaak toe te lichten. Hij heeft een uitgebreid bezwaarschrift geschreven en is niet van plan zich door zijn zoon of door de advocaat te laten overtuigen.