De magie van een wandelstok

De taxistandplaats is een zanderig terrein met twee stoelen voor de wachtenden. Op het minst wrakkige exemplaar heeft een Diola-vrouw plaatsgenomen. Met haar papaverrode hoofddoek en lindegroene jurk zit ze in de brandende zon roerloos voor zich uit te kijken. Haar arm rust op een zak met gedroogde vis die op haar schoot ligt.

Het is duidelijk dat de vrouw op een taxi wacht. Maar welke betekenis er in dit deel van Afrika aan het wachten moet worden gegeven, is moeilijk te doorgronden. Niemand lijkt het hier in zijn hoofd te halen om de tijd in een boekhoudkundige verlies- en winstrekening op te delen. Wachten schijnt veeleer een natuurlijke staat van leven, welke stelselmatig onderbroken wordt door de waan van de dag. De wachtende Diola-vrouw vertoont geen enkel teken van ongeduld. Het is alsof ze haar sierlijke omhulsel op de roestige stoel heeft achtergelaten om zich op de wind te laten meedrijven naar het altijd groene achterland met de weidse rijstvelden, de oude woudreuzen, de witte vogels en de flonkerende rivier.

De Diola-vrouw is minder ver weg dan ik mij heb ingebeeld. Als ze mijn metgezel, die met een stok loopt, ziet naderen komt ze overeind. Vriendelijk lachend biedt ze de gehandicapte witman haar stoel aan, om zelf plaats te nemen op het andere exemplaar, dat gereduceerd is tot een doorgeroest, rugloos frame met een losse zitting. We kunnen geen woord met de Diola-vrouw wisselen. Wij kennen haar taal niet en zij spreekt geen Frans. Bij het verschijnen van de taxi zie ik haar met haar zakje vis op teenslippers die een paar maten te groot zijn wegsloffen. Alvorens in te stappen, wuift ze ons gedag.

De volgende taxi is voor ons. “Père, ik sluit het portier aan uw kant”, zegt de zo'n tien jaar jongere chauffeur tegen mijn metgezel, die bezig is zich naar binnen te wurmen. De aanspreektitel verbaast ons. Deze heeft niet met leeftijd maar met respect te maken, legt de chauffeur ons later uit. Het lopen met een stok, al is het uit noodzaak, kan het ontzag voor de medemens kennelijk spontaan doen groeien.

De praktische visie van de Diola's op de lichamelijke bijzonderheden van medeschepselen in het algemeen, is verkwikkend. Met een ladderzatte man wordt de draak gestoken door een groep marktvrouwen. Een blinde man die wil oversteken, wordt door een toevallige passant bij de arm gepakt en overgeholpen. Aan bedelende melaatsen en kreupelen wordt met een vanzelfsprekend gebaar muntgeld overhandigd. Zelfs voor de lokale albino die zich na zonsondergang in extravagante vrouwenkleding en als een zombie door de Zuid-Senegalese hoofdstad Ziguinchor beweegt is een plaats ingeruimd. Hem wordt geen haar gekrenkt. En geen kind zal bij zijn verschijnen joelend een achtervolging inzetten.

De taxi levert ons af in een dorpje vanwaar de reis naar het in de delta van de Casamance gelegen eilandje Karabane per boot zal worden voortgezet. Voor de tocht over de rivier waarvan het enorme wateroppervlak aan het IJsselmeer herinnert, wordt een uitgeholde boomstam met een buitenboordmotortje gebruikt. Na enkele meters met de bagage op het hoofd door de rivier te hebben gewaad, dient de passagier zich op te trekken aan de zijkant van de wiebelende pirogue om zich aan boord te hijsen. Het is geen circusnummer dat mijn metgezel op het lijf is geschreven. Ik wil al voorstellen om maar terug te keren naar ons dorp als er twee jonge Senegalezen verschijnen. Alsof het de gewoonste zaak van de wereld is, wordt 'Père' met stok en al opgetild, over het water afgevoerd en neergepoot in de boomstamkano.

Bij het afmeren op Karabane, waar de Atlantische Oceaan de rivier binnenstroomt, is de deining toegenomen. Het is een goed moment om, staande in een op de golven dansende boomkano, een uit dun bamboe vervaardigde stok te breken - en dat gebeurt dan ook. De Afrikaanse eigenaar van het door ons geboekte hotelletje, die ons op het strand staat op te wachten, is getuige van het incident. Ik zie hem iets tegen een jongetje zeggen dat vervolgens hard wegloopt. Niet lang daarna verschijnen er opnieuw twee ebbenhouten prinsen, die mijn metgezel op weg naar het hotel ondersteunen.

De hoteleigenaar is die avond langdurig bezig met de reparatie van het hulpstuk. Hij legt de gebroken delen van de stok tegen elkaar aan, smeert ze in met lijm en omwikkelt ze met meters nylon visdraad. De provisorische dichting van de stok is geen succes. De vraag dient zich aan hoe Senegalezen die een stok nodig hebben een dergelijk probleem oplossen. Er blijkt zelfs een aanvraag bij een ziekenhuis aan te pas te moeten komen, maar over een dergelijk instituut beschikt het liefelijke eilandje niet.

Bij ons vertrek verrast de hoteleigenaar mijn metgezel niettemin met een gloednieuwe stok. Zijn jongste zoon heeft hem uit hardhout gesneden en van geometrische patronen voorzien. Het is zichtbaar een tijdrovend karwei geweest, maar daarover rept de vader niet. In het kielzog van 'Père', die met zijn indrukwekkende maar voor dagelijks gebruik veel te zware stok voor een stamhoofd kan doorgaan, begeven we ons wederom naar de boomstamkano. Ik voer de gerepareerde bamboestok met mij mee, hopend dat ook ik eens, al is het maar een klein stukje, door de Diola's op handen zal worden gedragen.