Spaanse archeologie koestert missing link van Atapuerca

Spaanse archeologen menen in de heuvels bij het Noord-Spaanse Burgos de Homo Antecessor te hebben gevonden, een belangrijke nieuwe schakel in de menselijke familie. De buitenwereld twijfelt nog.

ATAPUERCA, 5 AUG. Een menselijke voorouder met een modern gezicht, op zijn minst 800.000 jaar oud en de gemeenschappelijke missing link tussen mens en Neanderthaler. Als de Spaanse ploeg wetenschappers van de opgravingen bij Atapuerca gelijk heeft, dan is in de heuvels nabij het Noord-Spaanse Burgos een belangrijke schakel toegevoegd aan de menselijke familie.

Zo modern oogde Homo Antecessor, zoals de soort in een recent artikel in het wetenschapsblad Science werd gedoopt, dat hij in het huidige straatbeeld nauwlijks op zou vallen. “Als je hem een zonnebril op zou zetten is het verschil nauwelijks te zien”, meent Eudald Carbonell, een van de archeologen die de nieuwe soort ontdekt heeft.

In hun tropenuitrusting - kaki korte broeken en dito hemden, stevige trekkersschoenen - inspecteren Carbonell en zijn collega José María Bermudez de Castro het werk van de zestig man sterke ploeg die geconcentreerd bezig is zich een weg te bijtelen in de grondlagen van Atapuerca. Op nog geen half uurtje rijden van Burgos, in een bergsleuf die het landschap doorsnijdt, heerst de sfeer van Indiana Jones in een ontdekkingsreis in de tijd. Er zijn wachtlijsten van honderden vrijwilligers die hebben aangeboden bij het werk te helpen.

Met de ontdekking van de Homo Antecessor geldt het gebied rond Atapuerca als een archeologische schatkamer die een avonturenfilm waardig is. Midden in het glooiende, met eiken begroeide landschap, liggen binnen een cirkel van enkele honderden meters alleen al drie vindplaatsen die de afgelopen twintig jaar een opzienbarende hoeveelheid aan fossiele planten, dieren- en mensenresten heeft opgeleverd.

Het had weinig gescheeld of de heuvels van Atapuerca zouden hun geheimen nooit hebben prijsgegeven, vertelt de Nederlandse paleontoloog Jan van der Made, die bij het onderzoek betrokken is. Een Britse ingenieur besloot in de vorige eeuw een smalle, dertig meter hoge gang door het landschap te graven om de spoorlijn naar Burgos door te trekken. De uitgezaagde blokken steen waren handig als bouwmateriaal voor spoorbruggen verderop het traject. Bij het graven van de sleuf werden de grotten en aardlagen ontsloten die vol bleken te zitten met prehistorische resten.

Het grotstelsel werd in het begin alleen bezocht door de dorpsjongens die hun moed en klimvermogen bewezen door grote beretanden uit de diepte te halen. Pas in de jaren zeventig werd de sleuf van de inmiddels opgeheven spoorlijn het werkterrein van professionele archeologen. Een van de meest spectaculaire vindplaatsen bleek de zogenoemde Sima de los Huesos, de Beenderput. In een van de grotten bleek zich een moeilijk toegankelijk diep gat te bevinden dat was opgevuld met sediment en rotsblokken.

In 1992, nadat een ploeg paleontologen, archeologen en geologen samen met hun studenten zes jaar lang het gat hadden uitgegraven, bleek de Beenderput vol te liggen met menselijke resten. Na jaren waarin alleen kleine botjes werden opgediept, werden de resten opgegraven van 32 mannen en vrouwen van de Homo Heidelbergensis, de ongeveer 300.000 jaar oude voorloper van de Neanderthaler. Onder het materiaal bevinden zich verscheidene complete schedels van deze mensensoort. Nu al is tachtig procent van het menselijke botmateriaal van het Midden-Pleistoceen (780.000 jaar tot 150.000 jaar voor Christus) afkomstig uit de put. Aangenomen wordt dat de Sima de los Huevos werd gebruikt als een begraafplaats, wat betekent dat de put mogelijk nog talloze resten kan bevatten.

De ontdekking van de Homo Antecessor heeft de opgravingen bij Atapuerca definitief het stempel gegeven van de belangrijkste vindplaats van menselijke resten uit het Pleistoceen (van 10.000 tot 2 miljoen jaar geleden). Even voorbij de ingang naar de Sima de los Huevos is de circa dertig meter hoge wand van de oude spoorwegsleuf volgebouwd met een steigerstellage. Boven aan de top graaft een ploeg studenten en wetenschappers zich over een oppervlakte van honderd vierkante meter langzaam een weg in de diepte. Twintig meter lager bevindt zich een veel smallere proefafgraving van een krappe zes vierkante meter waar de 'nieuwe' mensensoort werd ontdekt. De grondlagen op deze hoogte zijn op zevenhonderdduizend jaar en ouder gedateerd.

Archeologe Aurora Martin van de Universiteit van Taragona stuitte het eerst op de resten. “Ik had het geluk en de grote eer de eerste drie tanden te ontdekken”, bloost ze, wijzend op de grondlaag die nu haar voornaam draagt. Het was acht juli 1994, weet ze zich te herinneren. De drie tanden die uit de nieuwe laag werden opgegraven leken menselijk. Het was geen leeuw, geen beer, er bleef maar een mogelijkheid over. Hoofdonderzoeker en gebitspecialist Bermúdez de Castro werd erbij geroepen. Die had aan een blik in het plastic zakje genoeg: het was een mens. “Er werd gelachen, gehuild en champagne opengetrokken. Dit was waar we al die jaren naar zochten”, zegt Aurora Martin.

De ontdekking van de menselijke resten zorgde voor opschudding in kringen van archeologen: tot dan toe was altijd aangenomen dat de oudste bewoners van Europa pas 500.000 jaar geleden van het Afrikaanse continent waren gekomen. De afgelopen twee jaar werden meer dan tachtig menselijke resten uit de Aurora-laag opgediept. Daaronder bevindt zich een vrij compleet stuk bovenkaak met gezichtsbeenderen die hebben geleid tot de recent gepubliceerde conclusie dat het een nieuwe soort betreft.

Op basis van de vondsten is het mogelijk een portret van de Homo Antecessor te schetsen. Volgens de ontdekkers betreft het hier de gemeenschappelijke voorouder van Homo Sapiens en de Neanderthaler, de minder fortuinlijke oermens die ergens in het late Pleistoceen uitgestorven is. Afgezien van zijn modern ogende gezicht was hij groot, sterk en een vleeseter. Desnoods het vlees van soortgenoten. “Een analyse van de gevonden botresten laat geen andere conclusie”, zegt paleontologe Yolanda Fernandez Jalvo. Botten zijn opengebroken om het merg uit te zuigen en tot op de schedels toe werden snijvlakken aangetroffen zoals je die ook bij geslachte dieren ziet. Maar op de schedels zit toch weinig vlees? “En de wangen dan”, vraagt Fernandez. “Die schijnen heerlijk te zijn.”

In een wereld waarin de vondst van een vingerkootje voldoende is om een wetenschappelijke reputatie te maken en te breken, worden de onafgebroken vondsten van Atapuerca met bewondering en wantrouwen gevolgd. Critici wijzen er op dat de aangezichtsbotten waarop de theorie van een nieuwe soort is gebaseerd, afkomstig zijn van een kind wat nog niet volgroeid was. Er zijn twijfels geuit over de juiste datering van de grondlaag. Anderen vragen zich af of het om permanente bewoners van Europa gaat.

Ontdekkers Carbonell (44) en Bermúdez de Castro (44) menen evenwel dat de critici de afgelopen tijd voorzichtiger zijn geworden. Wat de afgelopen twintig jaar naar boven is gekomen zal Atapuerca nog lange tijd tot 's werelds belangrijkste archeologische vindplaats maken. “Ik ben ervan overtuigd dat ik de rest van mijn professionele leven met Atapuerca bezig zal zijn”, voorspelt Bermúdez de Castro. “En daarna zal het werk nog zeker honderd jaar in beslag nemen.”