P.A. Warners: een vakkundige mix

Tentoonstelling: P.A. Warners, Architect in Amsterdam-Zuid. T/m 8 aug., Koninginneweg 1, Amsterdam; ma t/m vrij 9-16u30.

Niet ieder Amsterdams stadsdeel kan zich erop beroepen een lokale held op architectuurgebied binnen de administratieve grenzen te hebben. Stadsdeel Zuid wel. Daar heeft de architect P.A. Warners (1888-1952) tussen de twee wereldoorlogen zijn oeuvre tot stand gebracht. Bekend is Warners nooit geworden. Zijn werk ontstijgt de middelmaat maar mist de eigenschap die tot eeuwige roem leidt: orginaliteit.

Maar juist hierin schuilt ook een kwaliteit, zoals is te zien op de expositie over zijn werk in het stadsdeelkantoor van Amsterdam-Zuid. Daar wordt in tekeningen, foto's en enkele meubelstukken het oeuvre getoond dat Warners tussen de beide wereldoorlogen in Amsterdam-Zuid tot stand bracht. Zijn architectuur is te karakteriseren als een vakkundige mix van Berlage, de Amsterdamse School en het traditionalisme en is vergelijkbaar met het werk van al even onbekende Amsterdamse collega's als G.J. Rutgers en J. Roodenburgh.

Warners is nooit verder gekomen dan het volbouwen van Amsterdam-zuid, waar zijn nette en beschaafde architectuur precies bij past. Dat zijn architectuur zo beschaafd overkomt, hangt ook samen met het soort opdrachten waarmee hij zich bezig hield. Zijn specialisme was het luxe appartementengebouw, waarvan hij er vooral in en rond de De Lairessestraat vele bouwde, al dan niet in opdracht van de in 1914 door hemzelf opgerichte N.V. Amsterdamsche Maatschappij tot Exploitatie van Etagewoningen. Daarnaast ontwierp hij kantoorgebouwen, zoals 'Atlanta', uit 1928 aan het Leidse Bosje en 'Candida' uit 1932 aan de Nieuwezijds Voorburgwal, en villa's en woonhuizen, waaronder in 1924 een rij woonhuizen aan de Hacquartstraat. Hier maakte hij de gevels voor een keer niet van baksteen maar van pleisterwerk en tussen de vensters, op de schoorstenen en op de borstwering van het balkon bracht hij zwarte en witte tegels in dambordpatroon aan. Het resultaat is ineens spectaculair, maar dit bleek slechts een eenmalig uitstapje. Daarna bouwde hij weer voort in de stijl die door hemzelf treffend is getypeerd als 'kennelijk Amsterdamsch': 'een onderlinge doordringing van de invloeden van het constructivisme van Berlage en het ietwat barokke decoratief karakter van de 'Amsterdamsche School'.

Deze woorden zijn terug te vinden in Amsterdams Bouwkunst en Stadsschoon 1306-1942, dat Warners samen met de Delftse hoogleraar J.G. Wattès schreef. Het is niet toevallig het enige boek waarin zijn werk ruim vertegenwoordigd is, zo ruim zelfs dat alleen Philips Vingboons, Hendrick de Keyser, H.P. Berlage en P. Kramer vaker worden genoemd. Wie niet beter weet, zou zo nog de indruk kunnen krijgen dat de architectuur van Warners hoog boven het werk van zijn voorgangers en zijn tijdgenoten uittorent. Dat is niet het geval, maar de kwaliteit van zijn werk rechtvaardigt wel dat er nu eens serieuze aandacht aan wordt besteed.