Ondanks fusies bloeit het 'elitaire' gymnasium

Na de invoering van de Mammoetwet in 1968 dreigde het zelfstandige gymnasium ruim baan te moeten maken voor de scholengemeenschap. Ruim vijfentwintig jaar later dienen nieuwe aanslagen op het gymnasium te worden gepareerd.

ROTTERDAM, 5 AUG. In de fusiegolf die sinds 1968 leidde tot schoolgemeenschappen met het hele scala aan opleidingen, hebben de zelfstandige gymnasia zich wonderwel weten te handhaven. Maar dat betekent niet dat de gymnasia nu op hun lauweren kunnen rusten.

Door de rijksoverheid wordt de brede scholengemeenschap nog steeds krachtig bevorderd en in de gemeenten zien lokale politici niet altijd het belang in van een zelfstandig gymnasium. Om een banaal financieel probleem op te lossen gaan ze soms aan de haal met het budget voor het zelfstandige gymnasium.

In de gepaste ambiance van zijn werkkamer (bouwjaar 1662, Hollandse Renaissance) legt de Haarlemse wethouder van onderwijs C. Mooij (VVD) uit hoe nieuwe aanslagen op het zelfstandige gymnasium, zoals het Stedelijk Gymnasium in Haarlem, gepareerd kunnen worden.

Om samen sterk te staan is in Haarlem een aparte bestuurlijke constructie bedacht. Het Stedelijke Gymnasium van Haarlem, het Gymnasium Felisenum in Velsen en het Barlaeus Gymnasium in Amsterdam krijgen een overkoepelend schoolbestuur. Het is uitdrukkelijk niet de bedoeling om een nieuwe bestuurlijke koepel met een zware en dure overhead op te tuigen. Mooij: “De rectoren van de gymnasia blijven de belangrijkste mensen. Ik heb trouwens inmiddels begrepen dat staatssecretaris Netelenbos er niet echt blij mee is.” De wethouder kan er niet van wakker liggen. “Het hoofddoel van deze constructie is de instandhouding van de zelfstandige gymnasia. Het Vossius komt ook, hoop ik.”

Is het gymnasium een uitstervend schooltype? De cijfers wijzen daar niet op. Volgens een opgave van het ministerie van Onderwijs zijn er nu nog 36 zelfstandige gymnasia, maar de rectoren van deze scholen komen zelf voor het jaar 1996 tot een aantal van 38 gymnasia, met in totaal 21.164 leerlingen. De 39 gymnasia anno 1973 hadden samen 12.681 leerlingen. De zelfstandige gymnasia hebben zich de laatste vijfentwintig jaar derhalve uitstekend weten te handhaven en het aantal leerlingen is in diezelfde periode bijna verdubbeld.

Het verschil tussen de 38 gymnasia die de rectoren tellen en het aantal van 36 volgens het ministerie, zit 'em in de status van de gymnasia in Apeldoorn en Leeuwarden. Deze scholen hebben als gymnasium een 'status aparte' weten te behouden toen ze enkele jaren geleden onderdeel werden van een brede scholengemeenschap. Het verlies van de slag om de gymnasia in Leeuwarden en Apeldoorn zit de verzamelde rectoren kennelijk hoog.

Het opheffen en vervolgens samenvoegen van scholen in een groter geheel gaat nog steeds voort. Dat is zo gewoon geworden dat bijna niemand zich daar nog druk over maakt. Totdat een zelfstandig gymnasium dreigt te sneven. Dan komen niet alleen de betrokken ouders, leraren, leerlingen en oud-leerlingen maar ook de zelfbenoemde verdedigers van het gymnasium in het geweer. Dat verschijnsel deed zich nog in volle omvang voor toen in Gouda het Coornhert Gymnasium op de nominatie stond om te worden ondergebracht in een brede scholengemeenschap. Dat ging toen, anno 1995, niet door.

Wie bij rectoren en leraren van een gymnasium het (veronderstelde) elitaire karakter van het zelfstandige gymnasium aan de orde stelt, raakt als het ware een open zenuw - de eerste reactie getuigt op zijn minst van enige wrevel. A.A.J. Wintjes, classicus en rector van Gymnasium Beekvliet in Sint-Michielsgestel, is meteen op zijn hoede: “Zoals de school functioneert, is er geen enkele aanleiding om onze school elitair te noemen. Maar we zijn wèl elitair ten aanzien van capaciteiten en studiezin.” Alles draait om de vraag op welke school de meest getalenteerde leerlingen thuishoren, in welke omgeving zij het meest worden uitgedaagd. Wintjes: “Negentig procent van onze leerlingen doet eindexamen in acht vakken of meer. In de vijfde klas is dat zelfs 95 procent. Bij negen vakken of meer studeren de jongeren in hun eigen tijd. Dat komt al gauw neer op tien procent extra.”

Het 'verwijt' omtrent het elitaire karakter van het gymnasium wordt door de rector van Beekvliet omgesmeed tot een wapen om zich mee te verdedigen. “De kostscholen bestaan nauwelijks meer in ons land, noch de particuliere scholen. Dankzij de gymnasia. Wij vormen een dam tegen duur particulier onderwijs.”

Volgens de Vrienden van het Gymnasium zijn er nog 253 scholengemeenschappen met een gymnasiale afdeling, met ongeveer 10.000 leerlingen. Dat is dus minder dan de helft van het totaal aantal leerlingen op de zelfstandige gymnasia. Het Geert Grote College (GGC) in Deventer is zo'n school. In de klassen 1, 2 en 3 heeft het gymnasium in totaal zo'n 120 leerlingen, daarna worden de groepen beduidend kleiner.

De rector van het GGC, R.W.J. Rijk, meldt niet zonder trots dat dit jaar al zijn gymnasiumleerlingen zijn geslaagd, en dat zijn school in de jaren 1993 tot en met 1996 bij Latijn 0,4 boven het centraal landelijk gemiddelde cijfer heeft gescoord. Bij Grieks scoorde het GGC 7,8 bij een landelijk gemiddelde van 6,9.

Rijk beperkt zich tot deze cijfers, maar zijn impliciete conclusie is duidelijk: de beste en meest gemotiveerde gymnasiasten vind je niet op de zelfstandige gymnasia, maar op de gymnasiumafdelingen van brede scholengemeenschappen. Daar zitten de jongens en meisjes die echt weten door te zetten, zonder het ideale lesrooster van het 'echte' gymnasium en zonder de groepsdwang van het grote geheel.