Niemand weet nog wat er te vieren valt

Rond het einde van de vorige eeuw toen notabelen grootse beschavingsplannen opvatten, werd de kermis in sommige steden verboden. Men stelde er een ordelijk volksfeest op de verjaardag van het staatshoofd tegenover.

Daaruit is de Koninginnedag ontstaan met de dressuur die Nederlanders van rond de vijftig nog als kind hebben meegemaakt: 's morgens in het gelid voor de aubade uit Valerius' Gedenck-clanck, 's middags het zaklopen onder leiding van het oranjecomité en 's avonds opblijven voor de kunsten van turners, volksdansers en muziekkorpsen.

In kleinere gemeenten gedijde het beschavingsproject redelijk, maar in de grote steden bleek weldra dat een volksfeest zonder kermis niet aansloeg. Koninginnedag alsmede Bevrijdingsdag zijn er uitgelopen op een kermis met vrijmarkt. Die geschiedenis geeft in een notendop weer hoe het met veel andere beschavingprojecten is gegaan.

Zo werden in bosranden en parken diergaardes gesticht, natuurbaden en veel speeltuinen, en dit om stededelingen van natuur en buitenlucht te laten genieten. Sommige ervan die nog bestaan, werden tot een pretpark omgebouwd.

Eenzelfde ontwikkeling is terug te vinden bij beschavingsprojecten die met overheidssteun werkten, zoals gemeentelijke zwembaden, buurt- en clubhuizen of jongerencentra. Om nog publiek te trekken werd ook hier 'het aanbod' aan 'de eisen des tijds' aangepast. Subsidiënten eisen tegenwoordig 'bereikcijfers' en 'marktwerking'. En zo kwamen er de pretbaden, de buurthuizen met kienspel, en de jongerencentra met gecontroleerde drugsverstrekking.

In feite werd telkens teruggegrepen op beproefde recepten van een kermis. Hoewel een kermis van jaar tot jaar veranderde en per plaats verschilde, bood een klassieke kermis sensaties die er op andere dagen niet waren. Vóór het tijdperk van auto en vliegtuig waren draaimolen en luchtschommel van die bijzondere belevenissen. Vóór de komst van televisie moest men voor beeldverhalen over gruwelmoorden en misgeboorten op de kermis wezen, zoals de kermiskramen de supermarkten voorgingen bij het aanbod van lekkernijen van elders.

In een nog niet permissieve maatschappij was de kermis de 'gedoogzone'. Voor die ene keer per jaar werden rondtrekkende straatartiesten niet weggejaagd en konden jongens en meiden in de danspaleizen of zomaar hossend op straat er hun gang gaan. Al die lusten brachten lasten mee: dronkemansgevechten en na afloop: gezinsschulden en ongewenste zwangerschappen. Op welke schaal dit voorkwam is niet goed bekend. Vermoedelijk verliep zo'n kermis even uitbundig als de avond vóór de TT-races in Assen. Volgens de huidige voorlichting heet die laatste rustig te zijn verlopen, ook als er enige ME-charges aan te pas kwamen.

De besturen van enige grote steden meenden zo'n eeuw geleden dat het met de 'bandeloze' kermis van toen maar wel eens uit moest zijn. En er rees geen verzet onder plaatselijke neringdoenden, want men had er weinig op met kermislui die de markt kwamen afromen. Toen de kermis enige decennia later haar kramen in de grote steden weer mocht opbouwen, betekende dat zeker niet dat de morele en commerciële bezwaren voorbij waren.

De strijd tegen de kermis gaat nog steeds door. Om toeristen te trekken kwamen er zomerfeesten en braderieën. Als de ene plaats zoiets heeft kan de andere natuurlijk niet achterblijven en zo kent Nederland tegenwoordig een respectabele dichtheid aan zomerspektakels. In al die plaatsen heeft men de geschiedenis nageplozen om een eigen feestmotief te vinden. Nochtans valt niet het onderscheidende maar het gemeenschappelijke van de evenementen het meeste op: steevast wordt er op straat getapt en ook het geluidsvolume wordt ruim gedoseerd. Wegens de royale reclame kan het de bezoeker niet ontgaan dat de plaatselijke middenstand er achter zit. Hij is de kermis met kermismiddelen gaan beconcurreren.

Eén essentieel gegeven van een klassieke kermis kon bij dit alles niet worden nagebootst. De vroegere kermis was net als carnaval een feest voor een bevolking die weinig amusement kende. Een of twee keer per jaar stond een stad op stelten en liefhebbers en tegenstanders wisten waar ze op die vaste dagen aan toe waren.

Bij de huidige festiviteiten is onduidelijk wat er te vieren valt en inmiddels is het land ruim voorzien van momenten en locaties waar meer mag dan anders. De een zijn lusten zijn nu dikwijls de ander zijn lasten en er heerst onzekerheid over de vraag wanneer de feestelijkheden over zijn.

“Men verschaffe het Volk dikwijls, maar nimmer langdurig noch uitbundig vermaak”, zo luidde een aanbeveling uit een Nutslezing uit 1847. De spreker had de leden opgeroepen om zich in te spannen voor een 'veredeling van volksvermaken'. Deze vroege particuliere beschavingsarbeid heeft aan de basis gestaan van veel cultuur- en recreatiebeleid uit deze eeuw.

Wie aan de huidige generatie gemeentebestuurders vraagt waarom zij nu beleid op dit gebied voert, krijgt uitgelegd dat een moderne gemeente voor een goed 'uitgaansklimaat' moet zorgen, voor de levendigheid van de binnensteden en voor de werkgelegenheid in de dienstensector. Na zo'n betoog weet je één ding zeker: het ergste wat er in hun visie zou kunnen gebeuren is dat bezoekers en bewoners uit verveling wegblijven en hun klandizie aan de rivaal gunnen. Ook de zorgen lijken de 'klantgerichte' overheden tegenwoordig met een standhouder te delen.

    • Wim Knulst
    • Dr. W. Knulst