Nat pak moet armetierige vlozegge behouden

Vernatting om verdroging tegen te gaan. De veelheid aan plantensoorten in het steeds droger wordende Nederlandse landschap moet worden behouden. Maar vooral onder de boeren is er weerstand tegen verhoging van de grondwaterstand.

LEUSDEN, 5 AUG. In natuurreservaat Groot Zandbrink, tussen Amersfoort en Barneveld in de Gelderse Vallei, knielt Michiel Firet bij een sprieterig gewas: “Dit is de vlozegge, een onooglijk, onopvallend plantje met een imagoprobleem.” Maar de vlozegge is wel een uiterst zeldzaam plantje, dat Nederland graag behouden wil zien.

Firet is ecoloog bij Staatsbosbeheer en als zodanig nauw betrokken bij pogingen om de Nederlandse natuur op te waarderen. In het kader van internationale verdragen, zoals dat van Rio, is Nederland ook verplicht de verscheidenheid aan planten en dieren op z'n minst in stand te houden. Een van de middelen om dit te bereiken, is het zogenoemde 'vernatten' van reservaten die onder structurele droogte te lijden hebben. Dit kan bij voorbeeld door het verbreden en ondieper maken van beken en het ophogen van natuurterrein om het zo dichter bij het grondwater te brengen.

Vooral in 'schraalgraslanden', die bloem- en soortenrijk behoren te zijn, is het grondwaterpeil zo sterk gedaald, dat bijzondere planten door algemene worden verdrongen. Indirect zijn ook zeldzame vlinders, waaronder grote vuurvlinder en zilveren maan, het slachtoffer van dit proces.

“Vijftig jaar lang hebben we ons land steeds droger gemaakt”, zucht Firet, die in het bijzonder verwijst naar doelbewuste peilverlagingen, uitgevoerd door waterschappen ten gunste van de boer. Die hecht doorgaans groot belang aan een droog oppervlak, omdat hij dan makkelijker met trekker en zware machines het land kan oprijden.

Andere oorzaken van de verdroging zijn grondwaterwinning en de voortgaande verstedelijking. Dit laatste gaat gepaard met een versnelde afvoer van regenwater naar rivieren, kanalen en meren. Over heel Nederland gerekend is het gemiddelde grondwaterpeil de laatste decennia met zo'n zeventig centimeter gedaald. Uit een landelijke inventarisatie blijkt dat ruim vijfduizend vierkante kilometer bos, natuurgebied en landbouwgrond met ecologische waarden hierdoor schade heeft opgelopen.

Waar het gaat om de rol van de waterschappen signaleert Firet tot zijn vreugde een zekere kentering: “Bij sommige zou je zelfs van een cultuuromslag kunnen spreken.” In plaats van water zo snel mogelijk weg te werken, houden waterschappen het nu zo veel mogelijk vast. Maar er zijn ook waterschappen die op de oude voet doorgaan. Bovendien, zo zegt Firet, is er sprake van een “na-ijleffect” van peilverlagingen in het verleden. “Het kan wel tien jaar duren voor het nieuwe beleid zijn vruchten afwerpt in de natuur.”

Langs het reservaat Groot Zandbrink in de Gelderse Vallei stromen twee gekanaliseerde beken: de Moorsterbeek en de Modderbeek. Die zijn volgens Firet te smal en te diep, waardoor ze grondwater naar zich toetrekken, zodat natuurgebieden van de kalkrijke vloeistof verstoken blijven. “Daarom zouden die beken breder en ondieper moeten worden, maar dat vereist wel overleg met de boeren in de omgeving.” Staatsbosbeheer zegt wat dat betreft niet op eigen houtje te willen noch te kunnen opereren, omdat grondwaterstromen zich niet aan eigendomsgrenzen storen. Firet: “Wat we wèl zelfstandig kunnen doen, is eigen terrein afgraven om het maaiveld dichter bij het grondwater te brengen. Zo mogelijk zonder verlies van bestaande natuurwaarden. En dat doen we ook.”

In de Gelderse Vallei hebben boeren, provincies en nuurbeschermingsorganisaties afgesproken waar er grote natuurgebieden moeten komen: bij Groot Zandbrink, het Meeuwenkampje ten noorden van Veenendaal en de Hel ten zuiden er van. Bij de Hel is het Firet opgevallen dat boeren aan de Gelderse kant van het toekomstige reservaat bereid zijn mee te werken, maar die aan de Utrechtse kant niet. De laatsten lijken model te staan voor de gemiddelde Nederlandse agrariër, die zich tegen 'vernatting' van boerenland pleegt te verzetten.

In de kop van Overijssel bijvoorbeeld bestaan vergevorderde plannen om twee waterrijke natuurgebieden, de Wieden en de Weerribben, aan elkaar te breiden door de tussenliggende weilanden te veranderen in moeras en rietveld. Dat heeft in de regio veel protest uitgelokt. “Zijn jullie nu helemaal bedonderd om ons zo onder de grond te trappen?” riep een woedende boer in een zaaltje te Oldemarkt waar uitleg werd gegeven.

Soortgelijke kreten naar aanleiding van vergelijkbare plannen vielen in het Friese Gaasterland en op Tiengemeten. Dit eilandje in het Haringvliet is sinds kort eigendom van de Vereniging Natuurmonumenten, die er op termijn een moerassig oord van wil maken. Dit zou betekenen dat er zes akkerbouwers moeten verdwijnen. Diezelfde organisatie heeft het Naardermeer, haar oudste bezit, uitgebreid door omringende landbouwgrond op te kopen. De bedoeling is daar het waterpeil aanzienlijk te verhogen en plaatselijk de bovengrond af te graven, zodat er een landschap van plassen en kreken, rietveld en moerasbos kan ontstaan.

Opvallend sterk klonk het boerenprotest in Zeeland, toen rijk en provincie begin 1996 hun plannen tot 'ontpoldering' langs de Westerschelde bekendmaakten. De term houdt in dat op enkele plaatsen de dijken worden afgegraven om de zeearm meer ruimte te geven, een vorm van natuurherstel ter compensatie van verliezen aan flora en fauna die worden verwacht door uitdieping van de Westerschelde. Ontpoldering bleek in Zeeland extra gevoelig te liggen door de watersnood van 1953. 'Dijken hoor je te bouwen en niet af te breken', was de leus. Maar ook los daarvan laaiden de emoties hoog op, vooral bij boeren die fel gekant waren tegen het prijsgeven van territorium.

In de Gelderse Vallei zijn de maatregelen die Staatsbosbeheer beoogt lang niet zo ingrijpend. Desondanks zijn ze bij diverse agrariërs in slechte aarde gevallen. “Bijzonder spijtig”, stelt ecoloog Firet vast, “want zonder hun medewerking gaat het niet.” Alleen als één of twee boeren blijven dwarsliggen en de hele zaak tegenhouden, zal Staatsbosbeheer een onteigeningsprocedure beginnen.

Dat zou dan ten goede komen aan de vlozegge, hoe armetierig zijn verschijningsvorm ook is. Maar ook de blonde zegge, de moeraswespenorchis, de draadrus en de parnassia. Ja, die parnassia. Michiel Firet struint een schraalgraslandje in Groot Zandbrink af om de soort te zoeken. “Er moeten hier nog drie exemplaren van de parnassia zijn, maar helaas, ik kan ze zo gauw niet vinden.”