Kunstenaars zijn lui met weelderige haardossen

Tentoonstelling: Künstler im Spiegel einer Sammlung; Graphische Bildnisse von Malern, Bildhauer und Kupferstichern aus dem Porträtarchiv Diepenbroick, Westfälisches Landesmuseum Münster) T/m 7/9. Publicatie 261 pag., DM 40,-.

Kunstenaars: wat is dat voor volk? Al sinds de 16de eeuw heeft in de kunstliteratuur een warme belangstelling bestaan voor het privé-leven, de gewoontes, de persoonlijke overtuiging van schilders, beeldhouwers en architecten. Niet voor niets bestaan vroege kunsthistorische geschriften zoals die van Giorgio Vasari (1550) en Karel van Mander (1604) uit kunstenaarsbiografieën, rijk voorzien van wetenswaardigheden en anekdotes. Maar wat is er waar van de sindsdien gevormde clichés van de kunstenaar als al dan niet gekweld genie, als bohémien of juist als consciëntieuze, niet zelden van een of ander heilig vuur vervulde dweper? Daarvan - zou je denken - moet het een en ander blijken uit portretten die kunstenaars van zichzelf en hun vakbroeders hebben gemaakt. Aan zulke beeltenissen wijdt het Westfälisches Landesmuseum in Münster een uitvoerige tentoonstelling.

De geëxposeerde werken zijn grotendeels afkomstig uit een grote verzameling van in prent gebrachte kunstenaarsportretten, die sinds de tweede wereldoorlog bijeen is gebracht door Hans-Dietrich von Diepenbroick. De prenten zijn erg wisselend van status en kwaliteit. Zo zijn er, vaak mooie, reproductiegravures die teruggaan op schilderijen, terwijl andere portretprenten duidelijk als zelfstandige kunstwerken zijn bedoeld. Daarnaast zijn er heel wat minder pretentieuze werken zoals tijdschriftillustraties uit de 19de eeuw. Een voordeel van Diepenbroicks thematische belangstelling is dat de tentoonstelling in al die uiteenlopende werken een groot aantal aspecten van het kunstenaarsportret illustreert.

De portretten geven vooral een beeld van de manier waarop kunstenaars hun beroepsgroep hebben willen presenteren. Ze zijn gerangschikt in groepen waarin bijvoorbeeld de status en het zelfbewustzijn van de kunstenaar de toon bepaalt of de ambachtelijke en allegorische connotaties van het kunstenaarschap. Er is een aparte groep beeltenissen van vrouwen - van de renaissance-schilderes Sofonisba Anguissola tot de expressionist Käthe Kollwitz. In de allegorische portretten worden de kunstenaars omringd door allerlei attributen en personificaties als Pictura en Sculptura, maar ook bijvoorbeeld Fama (roem) of Sapientia (wijsheid). Daarnaast is er een hele zaal vol met statige portretten van 17de- en 18de-eeuwse kunstenaars die groot aanzien en een hoge status hadden verworven, zoals Charles Lebrun en Pierre Mignard.

Hoe kundig, geleerd, aanzienlijk en ambitieus de kunstenaars ook uit deze voorstellingen naar voren komen, de nieuwsgierigheid naar de persoonlijke omstandigheden en de gedachtenwereld wordt door de prenten niet bevredigd. En ook portretten die op het eerste gezicht de indruk wekken daarover iets meer te vertellen, blijken vaak te berusten op tradities en conventies. Als de kunstenaar zich bijvoorbeeld samen met zijn echtgenote afbeeldt, weerspiegelt dat doorgaans niet het huiselijk geluk maar fungeert vrouwlief vooral als muze. De meeste groepsportretten van kunstenaars, vaak bijeen in een atelier of academie zoals in Giulio Tomba's ets van de tekenschool van Francesco Rosaspina (1800), geven niet zozeer een beeld van onderlinge contacten en vriendschappen. Meer dan als document humain zijn ze van belang als documentatie van de artistieke praktijk.

Ook de veelbelovende sectie getiteld 'melancholie, inspiratie, vertwijfeling' is wat dit betreft teleurstellend. Zij bevat slechts prenten waarin een kunstenaar is weergegeven in de klassieke pose van melancholicus - zijn hoofd rustend in zijn hand. Weer wint de typologie het van de weergave van de werkelijkheid. Zelfs de opvallend weelderige haardos waarmee veel van de schilders en beeldhouwers in bijvoorbeeld de reeks gravures met kunstenaarsportretten van Anthony van Dyck (1645) zijn getooid, blijkt een standaard-attribuut, precies zoals voorgeschreven door Cesare Ripa in zijn destijds veelgebruikte iconografisch handboek Iconologia.

Een meer waarheidsgetrouw kijkje in de keuken wordt ons vooral in een groep 20ste-eeuwse zelfportretten gegund. De mooie etsen van de even zelfbewust als zelfkritisch overkomende Lovis Corinth (1909), of van de strenge, genadeloos portretterende Max Beckman (1918) verraden iets van de gesteldheid van de kunstenaar. Maar afgezien van deze uitzonderingen worden we uit de portretten in deze expositie toch meer wijzer over veranderingen in status en aanzien, dan over de persoonlijkheid van de afzonderlijke kunstenaars. De echte petite histoire moet toch uit de boeken komen.