Japi en Bavink

'Na tien jaar is het me eindelijk gelukt me van alle eerzucht te bevrijden', zei de man, meer tegen zichzelf dan tegen degene die naast hem zat. De eerzuchtloze, van gevorderde middelbare leeftijd, zag er overigens uit alsof hij in staat was bergen te verzetten. Zijn makker, die opviel door zijn grote oren, was al een stukje ouder. Ze keken naar de rode zon die juist de horizon had bereikt.

'Hoe dichter de zon bij de horizon, hoe sneller hij erachter is gezakt', zei de oude met de oren. Hij had gelijk. Al na een paar minuten was de schemer ingevallen.

De rest van de avond heeft de oude geprobeerd zijn makker ervan te overtuigen dat die op het verkeerde pad was. Hoe de jonge eerzuchtloze ook bad en smeekte om van dat op-hem-inpraten te worden verlost, de man met de oren achtte het zijn plicht de eerzucht bij de ander te reanimeren.

Dit verhaal werd me een paar jaar geleden door de oude met de oren verteld. Wie had gelijk? “De eerzuchtloze was uit vrije wil aan het versterven”, zei ik. “Jij, die door je gevorderder leeftijd misschien hebt verondersteld dat je meer recht van spreken had, hebt dat niet kunnen aanzien. Voor jou was het mensenplicht een poging te doen de versterver te bekeren. We zijn het eens! Of je er voor hebt doorgeleerd of niet, per slot van rekening handelen we allemaal volgens onze eigen opvatting van de Eed van Hippocrates: 'Ik zal geen dodelijk medicijn voorschrijven, ook niet als mij dit wordt gevraagd, en evenmin zal ik dit aanraden.' ”

“Jij citeert Hippocrates, ik stel er nu Nescio tegenover”, zei de man m.d.o. “Het is op de boot naar Zierikzee. Japi zegt dan tegen Bavink: Ik ben niks en ik doe niks. Eigenlijk doe ik nog veel te veel. Ik ben bezig te versterven. Het beste is dat ik maar stil zit, bewegen en denken is goed voor domme menschen. Ik denk ook niet. 't Is jammer dat ik eten en slapen moet. Liefst zou ik dag en nacht blijven doorzitten.”

“Was daar ook een scheepsarts aan boord?” vroeg ik. “Scheepstherapeut?”

“Bavink heeft hem nog een poosje weten op te monteren. Toen is hij naar Friesland gegaan. Wat daar is gebeurd weten we niet, maar ten slotte is hij van de Waalbrug gestapt.”

“Dan”, zei ik, “is hij tot zijn voorlaatste ogenblikken in ieder geval nog goed ter been geweest.”