In Bosnië is de oorlog gewoon ingevroren

Richard Holbrooke, de architect van het vredesakkoord van Dayton, is teruggeroepen om in een nieuwe missie het Bosnische vredesproces uit het slop te trekken. Ruim anderhalf jaar na 'Dayton' zit dat vredesproces muurvast.

ROTTERDAM, 5 AUG. “Elke concessie is tot stand gekomen na zware internationale druk.” Zo vatte zondag de Duitse minister van Buitenlandse Zaken, Klaus Kinkel, de voortgang van het Bosnische vredesproces sinds het akkoord van Dayton samen.

'Dayton' heet nog steeds een vredesakkoord. Maar sinds de ondertekening in december 1995 is de vrede in Bosnië geen stap dichterbij gekomen: er heerst uitsluitend vrede in de zin dat er niet meer wordt gevochten. Maar van toenadering of verzoening tussen de ex-oorlogspartijen, de Bosnische Serviërs, Kroaten en moslims, is geen sprake: de oorlog is ingevroren.

Zeker, er zijn een paar gemeenschappelijke instituties en er zijn verkiezingen gehouden. De twee territoriale entiteiten, de Servische Republiek en de moslim-Kroatische federatie, hebben hun eigen parlementen en er is een overkoepelend Bosnisch parlement. Ze hebben eigen regeringen en er is een gemeenschappelijke regering, geleid door twee premiers, één namens elke entiteit.

Maar daarmee is de voortgang wel zo'n beetje geschetst, want die gemeenschappelijke instanties nemen zelden of nooit een gemeenschappelijk besluit. De Servische vertegenwoordiger in het staatspresidium, Momcilo Krajišnik, komt niet meer naar vergaderingen in Sarajevo, omdat hij zegt daar zijn leven niet zeker te zijn. In werkelijkheid gedraagt Krajišnik - de rechterhand van oorlogsmisdadiger Radovan Karadzic - zich uitsluitend als de leider van een separatistische entiteit, een die, ook al is hij co-president van Bosnië, openlijk zegt dat “het hele idee van de Bosnische eenheidsstaat een zaak van nostalgici is”.

De Serviërs liggen dwars bij alles wat riekt naar een eenheidsstaat: ze willen geen centrale bank, geen eenheidsmunt (althans: niet een zonder 'etnische' kenmerken), ze willen geen Bosnisch paspoort, geen Bosnische vlag, geen gemeenschappelijke wetten. Ze hebben 'Dayton' onder druk ondertekend, maar ze hebben sindsdien alleen maar afstand genomen van het akkoord. Op elk niveau: vorige week weigerden de burgemeesters van vijf steden in de Servische Republiek internationale hulp ter waarde van twintig miljoen mark, omdat aanvaarding van de hulp ondersteuning van het vredesakkoord zou inhouden. En Dayton is taboe, zelfs al lopen de Serviërs daardoor hulpgelden mis: “We verkopen onze identiteit niet voor wat dollars”, zei onlangs trots de premier van de Servische Republiek, Gojko Klickovic. Hij kan dat makkelijk zeggen, want hij is rijk geworden aan de smokkel, samen met Radovan Karadzic, van schaarse goederen, terwijl negentig procent van de Bosnische Serviërs werkloos is en in extreme armoede leeft.

De Bosnische Serviërs denken niet allemaal zo: de president van de Servische Republiek, Biljana Plavšic, is al tijden in een bitter conflict gewikkeld met de hardliners rondom Karadzic, Krajišnik en Klickovic. Zij wil 'Dayton' wèl naleven. Maar ze is politiek geïsoleerd. De grote meerderheid van de politieke leiders van de Servische Republiek, de hele regering en de meerderheid van het parlement staan achter die hardliners.

Niet alleen de ongebroken wil van de Bosnische Serviërs om de breuk met de moslims en de Bosnische Kroaten te bestendigen en zich van Bosnië af te scheiden speelt een rol. 'Dayton' bevat twee cruciale 'conditiones sine quibus non' waaraan de voortgang van het vredesproces valt af te meten: de uitlevering van oorlogsmisdadigers en de terugkeer van vluchtelingen. De mate waarin aan die bepalingen wordt voldaan is de meetlat waaraan de voortgang van het vredesproces kan worden afgelezen.

In beide gevallen is van voortgang geen sprake, en daarbij blijven niet alleen de Bosnische Serviërs maar ook de moslims en de Bosnische Kroaten in gebreke: wat het ontbreken van de wil tot vrede en verzoening betreft staan de Serviërs bepaald niet alleen.

Geen enkele oorlogspartij verleent medewerking bij de uitlevering van oorlogsmisdadigers. De Serviërs hebben niet alleen nagelaten verdachten uit te leveren, ze geven verdachten actief bescherming, zelfs een nieuwe identiteit. De Kroaten zijn niet beter: àls ze het Haagse VN-tribunaal al medewerking verlenen, dan onder zware druk, bij elke nieuwe stap die van hen wordt geëist. Dwarsliggen blijft het motto.

Datzelfde geldt voor de terugkeer van vluchtelingen. Van de twee miljoen Bosnische vluchtelingen zijn er anderhalf miljoen verdreven uit gebieden die nu in handen zijn van een andere etnische groep. Van hen zijn er een jaar en negen maanden na 'Dayton' slechts 50.000 naar hun woningen teruggekeerd. De Serviërs hebben maar duizend niet-Servische vluchtelingen toegelaten. Maar de andere groepen zijn even onwillig: de Kroaten weren niet-Kroaten en de moslims weren niet-moslims die willen terugkeren. Dit weekeinde joegen dronken Kroaten alle moslims die naar Jajce en omgeving waren teruggekeerd, voor de tweede keer op de vlucht en maakten moslims in Vogošca bij Sarajevo duidelijk dat Serviërs die terugwillen, niet welkom zijn. In 1996 hadden 250.000 vluchtelingen moeten terugkeren naar gebieden die nu door de 'andere' etnische groep wordt beheerst, in 1997 zouden dat er 200.000 moeten zijn. Er zijn er slechts 50.000 teruggekeerd.

Zelfs binnen de federatie van moslims en Kroaten - formele bondgenoten - ontbreekt de wil tot verzoening en samenwerking. Er is een federatieregering en een federatieparlement. Maar voor de rest is er ruzie: over de besteding van hulpgelden, over de ongebroken wil van de Kroaten zich zoveel mogelijk en waar mogelijk als Kroaten (en niet als Bosniërs) te profileren, over het stiekeme voortbestaan van de 'republiek' van de Bosnische Kroaten, Herceg-Bosna, over intimidatie waarvan moslims in Kroatisch gebied en Kroaten in moslim-gebied elke dag het slachtoffer worden, over Mostar, dat ondanks alle inspanningen van de Europese Unie nog steeds een verdeelde stad is.

Vijandigheid en wantrouwen domineren in de moslim-Kroatische federatie. Volgens een deze week in het Kroatische blad Obzor gepubliceerde opiniepeiling gelooft 63 procent van de Kroaten niet in samenwerking met de moslims. Volgens een opiniepeiling in maart voorziet 52 procent van de moslims de uiteindelijke verdwijning van de federatie met de Kroaten. Morgen praten de presidenten Izetbegovic van Bosnië en Tudjman van Kroatië in Split over de problemen. “De sfeer is slechter dan voorzien”, constateerde gisteren alvast een adviseur van Izetbegovic.