Het leven gered door een zwart schaap

In de jaren dat we in de Willebrordusstraat woonden bereikte de grote depressie haar dieptepunt. De meeste bioscopen hadden het variéténummer tussen het voorprogramma en de hoofdfilm afgeschaft, en de verenigingen en bonden gaven geen feesten meer, zodat er maanden verstreken voor mijn vader ergens een engagement kreeg.

Ofschoon ons benedenhuis zich beperkte tot drie vertrekken - mijn slaapplaats bevond zich in een lange kast in de gang, waar met lappen omwikkelde lekkende kraantjes en poreuze pijpleidingen van de ernaast gelegen wc in uitkwamen - ging mijn moeder ertoe over iemand 'op kamer' te nemen.

Toen mijn vader zijn uitgebreide kennissenkring hierover inlichtte, werden we door verschillende reflectanten benaderd, onder wie het zogenaamde zwarte schaap van een gegoede Rotterdamse familie aan de Mauritsweg, dat niet had willen studeren en, na een blauwe maandag te hebben gevaren, chauffeur op een vrachtwagen was geworden. Hij kreeg de beschikking over een inderhaast geleend, geelhouten bed (precies zo een als op het overbekende schilderij van Van Gogh), dat noodgedwongen in de als salon gebruikte achterkamer kwam te staan en, met een stoel naast het hoofdeinde, uitsluitend tot nachtverblijf diende, aangezien het vertrek zelf niet bij de prijs was inbegrepen. Hiertegenover stond echter dat hij deel kon nemen aan het 'huiselijk verkeer' en voor een billijk bedrag bij ons in de kost zou komen.

Zo zag ik plotseling een vreemde man, die ik oom Ee moest noemen - hij heette Eduard - zich voor het spiegeltje in de keuken scheren en zich 's namiddags wat schutterig aan de andere zijde van de tafel zetten. Dit laatste was echter van zeer korte duur, want al spoedig liet hij verstek gaan en verscheen, onverstaanbare excuses mompelend, met paars aangelopen wangen in de huiskamer, waar mijn moeder achter zijn rug een gebaar maakte alsof zij een glas naar haar lippen bracht, alvorens naar de keuken te snellen om zijn eten op te warmen.

Ook van het huiselijk verkeer kwam in de praktijk weinig terecht, daar oom Ee na zijn eenzame maaltijd aan de halfgedekte tafel gehaast het pand verliet teneinde zich naar zijn verloofde te begeven, die zetjuffrouw in een filiaal van Van Zwet was, een winkel in zuivelproducten op de hoek van de Jonker Fransstraat en de Goudsestraat.

Intussen had mijn moeders houding ten aanzien van onze kostganger een aanmerkelijke verandering ondergaan - niet alleen wegens het ontbreken van zijn persoon aan de gemeenschappelijke dis, maar ook omdat zij erachter was gekomen dat hij na gedane arbeid het chauffeurscafé placht te bezoeken dat in de buurt van zijn garage in de Herlaerstraat lag.

Daarentegen vond ik oom Ee steeds aardiger. Hij was een beetje verlegen en had een wat hese stem, waarmee hij enthousiast over zijn liefhebberij - hij fotografeerde - kon vertellen, en over zijn vroegere reizen naar Indië en de eilanden in de Zuidzee, waar altijd de zon scheen en meisjes met bloemen in hun haar onder wuivende palmen dansten. Voor mijn achtste verjaardag kreeg ik een verstelbaar schoolbord met krijtjes van hem, een veel mooier cadeau dan het eerste deel van Piggelmee ('In het land der blonde duinen, en niet heel ver van de zee, woonde eens een dwergenpaartje, en dat heette Piggelmee'), dat mijn ouders me gaven van de gespaarde koffie- en theebonnen van Van Nelle. Bovendien had ik min of meer mijn leven aan hem te danken toen ik aan het eind van de winter ziek werd.

Om vier uur was ik met hevige keelpijn uit school gekomen. Wanneer ik slikte, leken er messen door mijn keel te snijden en daar ik nooit ziek was, geloofde mijn moeder me maar half en vond ze het overdreven dat ik niet durfde te eten of drinken. Warm en duizelig hing ik in een stoel bij het raam, weigerde het mij opgedrongen, fijngeprakte voedsel en verlangde naar mijn vader, die een week buiten de stad werkte en pas met de laatste trein thuiskwam. Ook grootmoeder en de tantes, die 's avonds altijd bij ons waren, twijfelden aan de ernst van mijn woorden en keken beurtelings in mijn keel, zonder iets te ontdekken.

Intuïtief hoopte ik op hulp van oom Ee, die eindelijk met hees geprevelde verontschuldigingen de kamer betrad en mij voorstelde mijn hoofd achterover in het lamplicht op de tafelrand te leggen. Terwijl een doordringende dranklucht me tegemoet walmde, tuurde hij met glazige blik in mijn opengesperde mond en zei iets over witte stippen en over een dokter die geraadpleegd diende te worden. Gezien het geringe vertrouwen dat mijn familie in hem had, was men geenszins onder de indruk van zijn diagnose, en nadat mijn moeder achter zijn rug het bekende gebaar met het denkbeeldige glas had gemaakt, werd ik met een beker hete melk, die mij volgens haar zeggen 's morgens weer helemaal gezond zou doen ontwaken, naar bed gebracht. Maar de andere ochtend, toen oom Ee in alle vroegte de gangkast passeerde, stegen daar zulke verontrustende geluiden uit op dat hij mijn vader waarschuwde, die, zoals het verhaal luidt, nog niet van mijn kwaal in kennis was gesteld en met zijn regenjas over zijn pyjama naar dokter De Quaai op de Bergweg holde.

Mijn kritieke toestand duurde ongeveer een week, en toen ik op een dag uit een diepe slaap wakker werd, lag ik in de tussenkamer in het grote ledikant van mijn ouders, met een purperen luchtballon die met een koordje aan het voeteneind was bevestigd, en met mijn vader op een stoel naast mij. De daaropvolgende dagen werd ik ontzettend verwend. Ik kreeg een pop met echt haar, en mijn moeder, die steeds roodbehuilde ogen had, liep af en aan met beschuiten met dik boter en suiker en geklutste eieren met een scheutje brandewijn, terwijl grootmoeder en de tantes 's avonds pannetjes bouillon en schaaltjes vanillevla voor me meebrachten. Oom Ee kwam verlegener dan ooit met een schitterende doos kleurpotloden en een tekenboek met voorbeelden en versjes aandragen - een jongetje dat op het punt stond van een schoorsteen op een dak te springen ('Jan met zijn witte kraagje doet op den schoorsteen een waagje') en een halfgeopende poortdeur met een wachtende rij kinderen ('Als men de deur van het huis ontsluit, kan men er spoedig in en uit').

Zodra ik beter was, ging ik weer naar school en nam oom Ee vanwege dit heuglijke feit een foto van me met mijn nieuwe pop. Daartoe vervoegden we ons op een zondag aan het adres van zijn verloofde, bij wie ik beneden in de winkel voor een omvangrijk Japans kamerscherm moest gaan staan, dat oom Ee ooit van een van zijn verre reizen had meegebracht, en dat zowel als achtergrond diende als om het interieur met de zuivelproducten te camoufleren.

Ook hadden er plotseling allerlei veranderingen plaats en verhuisden we, mede om de lekkende kraantjes, naar de Jacob Catsstraat, waar ik niet in een gangkast hoefde te slapen. Voor oom Ee, die helaas niet meeging, gaf het waarschijnlijk de doorslag om met de zetjuffrouw te trouwen en de bescheiden woning boven het filiaal van Van Zwet met haar te delen.

Het huwelijk heeft echter niet lang standgehouden, zoals enkele jaren later bleek, toen mijn vader, die nog wel contact met het echtpaar had, wist te vertellen dat oom Ee weer was gaan varen. In de tijd die volgde heeft geen mens - ook zijn vrouw niet - meer iets van hem gehoord of gezien. Niemand heeft het ooit begrepen; maar ik wel, want in stilte was ik ervan overtuigd dat hij was teruggekeerd naar de eilanden met de palmen en de dansende meisjes met bloemen in hun haar.

    • Tonny van der Horst