Haitink en Gergjev maken furore in Salzburg

De Wiener Philharmoniker vormen in alle opzichten het hart van de Salzburger Festspiele. De musici veranderen per optreden: zilverig spelend onder Bernard Haitink, donker grommend onder Valery Gergjev.

SALZBURG, 5 AUG. Wat zouden de Salzburger Festspiele zijn zonder de Wiener Philharmoniker? Dit jaar begeleiden de Wiener gedurende vijf weken 22 voorstellingen van drie opera's en geven ze tien concerten. Daarvoor moet ook nog in Salzburg worden gerepeteerd met acht dirigenten. Afgelopen zondag traden de Wiener zelfs twee keer op: 's morgens om elf uur speelden ze onder leiding van Bernard Haitink met ovationeel succes de Negende symfonie van Mahler, 's avonds om half zeven begeleidden ze Boris Godoenov onder de gedreven leiding van Valery Gergjev, voor hem een toegejuicht Salzburgs debuut.

De Negende van Haitink en de Wiener is een heel andere dan die van Haitink en het Concertgebouworkest, vroeger. De opvattingen van Haitink over Mahler staan niet onwrikbaar vast, ze veranderen niet zozeer in de tijd maar wel naar gelang het orkest waarvoor hij staat. Haitinks Rotterdamse Mahler is wat feller en heftiger dan Haitinks Amsterdamse Mahler en zo is Haitinks 'Weense' Mahler in Salzburg weer een veel lichtere.

De Negende kreeg nu met soms wat aangezette contrasten in tempo (af en toe tot bijna-stilstand) en een niet al te grote dynamiek een zeer helder klinkende uitvoering. Door het naar voren halen van allerlei nevenstemmen werd de polyfonie nog benadrukt. Deze Negende, waarin de dood zich aankondigt en gepassioneerd wordt teruggekeken op het leven, waarna het sterven intreedt, klonk eerder buitengewoon prachtig en melancholiek dan wringend dramatisch.

Haitinks slotpassages bleven verre van Bernsteins beeldende en suggestieve schildering van de verstervende harteklop. Als daarop Richard Strauss' titel Tod und Verklärung wordt toegepast, dan is in Haitinks finale Adagio de Tod al ingetreden en horen we naar het slot toe steeds meer de Verklärung, een verheven toestand van verlichting. Haitinks etherische slot dooft niet, maar licht juist op in blijvende gelukzaligheid. Het publiek was na afloop buitengewoon enthousiast, maar Haitink en de Wiener waren dat nog meer over elkaar. Haitink maakte een langdurige diepe buiging voor het orkest, de Wiener applaudisseerden voor Haitink.

Zo zilverig en aan de wereld ontstegen als de Wiener 's morgens bij Haitink klonken, zo dreigend donker en aards speelden ze 's avonds met Gergjev Boris Godoenov. Deze Salzburgse productie van regisseur Herbert Wernicke dateert uit 1994 (toen met Claudio Abbado) en is de langst mogelijke Boris. De voorstelling (bijna vier uur, inclusief pauze) presenteert niet alleen Moessorgski' s uitgebreide laatste versie met een tweedelige proloog en vier actes, maar ook nog de daaruit geschrapte scène voor de Moskouse Basilius-kathedraal. De muziek is Moessorgski's eigen partituur, niet de glad gestreken versie van Rimski-Korsakov.

Wernicke, die in het Holland Festival Kagels Aus Deutschland regisseerde, verbeeldt de verwarrende gebeurtenissen rond tsaar Boris en de valse tsarewitsj Dimitri in de Tijd der troebelen (eind 16de eeuw) in tien krachtig vormgegeven scènes. Met hun mengsel van cerebrale symboliek en flink naturalistisch aangezet sociaal-realisme, illustreren ze de hele Russische geschiedenis. De achterwand is een portrettengalerij van Russische leiders: van de vroegste tsaren tot en met Boris Jeltsin. Ten opzichte van elkaar betekenen ze weinig wezenlijk verschil, het aangrijpende eeuwige leed van het onmachtige Russische volk verandert nimmer.

Dezelfde Wiener, die vorige week nog onder leiding van Christoph von Dohnányi Mozarts Die Zauberflöte zo bleek en ongeïnteresseerd hadden gespeeld, waren hier onherkenbaar. Het door de sterk betrokken Gergjev opgeroepen zinderende klankbeeld was grommend, ruig, stekelig en indringend. De uitstekende vocale uitvoering had soortgelijke kwaliteiten: een ontzagwekkende Boris van Vladimir Wanejev, een berekenende Dimitri van Sergej Larin, een wulpse Marina van Olga Borodina en een superieur-bureaucratische Sjoeiski van Philip Langridge.

De nieuwe productie van Robert Wilson van Debussy's Pelléas et Mélisande, die de avond tevoren was te zien op hetzelfde podium van het Grosse Festpielhaus, was in vele opzichten het tegendeel van deze Boris. Wilson laat elke duiding van het symbolistische werk achterwege en komt met toneelbeelden die vrijwel elk realisme aan de handeling ontnemen en alleen nog maar esthetisch en mythisch zijn. Deze voorstelling van Robert Wilson staat deels haaks op de Pelléas die Peter Sellars enkele jaren geleden in Amsterdam regisseerde. Toen was het toneelbeeld ook zeer esthetisch, maar tegelijk heel realistisch. Niet alleen was er aan de Californische kust een strandhuis met een ziekenhuisbed en een rolstoel, ook zagen we de actualiteit van de zwarte automobilist Rodney King, die in elkaar werd geslagen door de politie van Los Angeles. In de reprise van de voorstelling werd de King-scène vervangen door het O.J. Simpson-proces.

De hoogstpersoonlijke aanpak van Sellars heeft hem inmiddels in Salzburg in conflict gebracht met componist György Ligeti. Hoewel Ligeti na afloop van de première van Le Grand Macabre Sellars hartelijk omhelsde klaagt hij nu in Der Spiegel over Sellars verlegging van zijn 'Breughelland' naar een lege wereld na een atoomramp.

In het geval van Pelléas ligt de tijdloze benadering van Wilson mij meer dan de al te hedendaagse van Sellars. Maar muzikaal was de Amsterdamse voorstelling (door het Rotterdams Philharmonisch Orkest onder leiding van Simon Rattle) weer superieur aan die in Salzburg. Er wordt goed gezongen door Robert Lloyd (Arkel) en Dawn Upshaw (Mélisande). Maar Russell Braun (Pelleás) maakt weinig indruk en het Londense Philharmonia Orchestra, geleid door Sylvain Cambreling, klinkt vlak en afstandelijk.

Bij Wilson is er een scène waarin Pelléas en Mélisande op twee trapjes staan, de lange jurk van Mélisande valt over de treden. Dat beeld lijkt een rechtstreeks citaat van een iets geënsceneerde concertuitvoering door het Philharmonia Orchestra van Debussy's Le martyre de Saint Sebastien, gedirigeerd door Kent Nagano. De spreekrol werd hier met Franse pathetiek vervuld door de actrice Isabel Karajan, de dochter van Herbert von Karajan, de vorige Festspielleiter. Ze stond in een lange rode jurk tegen een zwarte zuil - het leek een reconstructie van het aloude logo van de Salzburger Festspiele.