De talrijke vrijwilligers zien de Oder 'langzaam verliezen'

Het mag een wonder heten dat de Oderdijken ten noorden van Frankfurt an der Oder niet zijn bezweken. De Bundeswehr vecht tegen het hoge water. Maar ook veel vrijwilligers dragen een steentje bij. Duizend van hen behoren tot Technisches Hilfswerk, een overheidsinstelling.

SEELOW, 5 AUG. Bij de Oder Vorflut Brücke in Küstrin Kletz stapt bouwkundig ingenieur Peter Bier (45) uit zijn bestelwagen. Hij wijst op de tientallen betonnen staven die op het wegdek van de smalle brug zijn gestapeld. De brug heeft de extra ballast hard nodig, verzekert Bier. “Zonder die verzwaring tilt het water hem zó van zijn plaats.” Hij vloekt binnensmonds, terwijl hij een blik werpt op de kolkende rivier. De gestegen Oder is de stalen oeververbinding dicht genaderd. Het is alsof ze onophoudelijk op haar prooi loert.

De Berlijner Bier is bezig met zijn dagelijkse inspectietocht langs de posten van Technisches Hilfswerk (THW). De overheidsinstelling THW, louter bestaande uit vrijwilligers, is ingeschakeld bij de dijkbewaking van de gezwollen Oder. De onbezoldigde Bier is de THW-leider in het negentig kilometer lange bedreigde gebied tussen Lebus en Hohenwutzen, ten noorden van het Oost-Duitse Frankfurt an der Oder. Hij heeft 380 onbetaalde mannen en vrouwen onder zich. In totaal zijn ruim duizend THW'ers (onder wie dienstweigeraars) uit héél Duitsland voor de hulpverlening aan de Poolse grens. Ze zijn herkenbaar aan de donkergrijze overalls die vrachtrijders plegen te dragen, blauwe shirts en een pet. Hun honderd voertuigen zijn blauw en in grote letters voorzien van de afkorting THW.

Op de stille wegen - vele zijn afgezet voor het gewone verkeer - komt Bier talloze collega's tegen. Bij elke tegenligger heeft hij een verhaal: de een vervoert schijnwerpers, de ander gaat gesneuvelde bomen opruimen, de derde transporteert zandzakken. Op weg naar Bleyen passeert Bier een THW'er met een boot op zijn aanhanger. De chef d'équipe weet dat het vaartuig zal worden gebruikt om “allerlei rommel, maar ook dode dieren uit het water te vissen”. Helaas is ons gemeld dat enige tientallen koeien en schapen zijn verdronken, legt hij uit.

In Bleyen is dat nieuws al bekend. De uit Keulen afkomstige THW'er Claus Schwemmer omschrijft het daar als “treurig, maar onvermijdelijk”. “Kijk eens hoeveel weiland hier is ondergelopen”, zegt hij tegen Bier, “de Oder is op deze plek wel negenhonderd meter breed. Vier keer zo breed als normaal.” Maar de dijk is in Bleyen niet bezweken, net zomin als elders aan de Duitse kant van de rivier. Het mag een wonder heten, mompelt Schwemmer, die met dure apparatuur de hoogte van het water controleert. “Hoewel - een wonder? Ik denk dat het personeel van de Bundeswehr héél belangrijk werk heeft gedaan.”

Schwemmer herinnert zich hoe de militairen zich in Bleyen uitsloofden om zandzakken en tonnen kiezels te dumpen. En hoe ze datzelfde 'nog fanatieker' deden verderop in Hohenwutzen, waar zondag een scheur in een dijk iedereen de schrik om het hart deed slaan. Marmor, Stein und Eisen bricht, aber unsere Dämme nicht, hoorde hij hen zingen en Ho, ho, ho - unser Feind ist H zwei O. Zó bevlogen zijn de THW'ers doorgaans niet, bekent hij. “Zeker wij niet, hier in het dorp”, laat hij daar met een zucht op volgen. Baas Bier - vanaf zijn achttiende lid van de THW - weet wel waarom. Zijn twaalf collega's aldaar zijn 'teleurgesteld', omdat de plaatselijke pensioneigenaar weigert hun (gratis) onderdak te verschaffen. Daardoor moeten ze na hun twaalf uur durende, vermoeiende dienst telkens verkassen naar de thuishaven Seelow, twintig kilometer verder, waar ze in scholen en een oud weeshuis worden ondergebracht. “De houding van zo'n hoteluitbater leidt ook bij mij tot irritaties”, zegt Bier. “Maar wat doe je eraan?” De THW'ers ontmoeten “gelukkig ook heel aardige mensen”, vervolgt hij. “Vorige week was een van onze onmisbare graafmachines stuk. We brachten hem naar een garage. De baas besteedde dezelfde dag nog meer dan vier uur aan de reparatie. Toen hij klaar was, zat die man van top tot teen onder de smeer. Hij wilde absoluut geen cent van ons hebben. Voor wat hoort wat redeneerde hij.”

Als Bier met zijn bestelwagen het oude DDR-industriecentrum van Manschnow passeert, vliegt er een helikopter over. Dat toestel komt de zandzakken halen die een aantal vrijwilligers daar 24 uur per etmaal vult, weet hij. Op de dijk bij Gerschmar wijst hij de route aan, die een van zijn “ondergeschikten” elk half uur lopend inspecteert, dag en nacht. “Het loont allemaal”, zegt Bier. Graag sluit hij zich aan bij de woorden van Bundeswehr-commandant E.T. Sorge: “Langzaam heeft de Oder verloren.” Terwijl Bier uit zijn auto stapt bij het crisiscentrum van Seelow, knikt hij naar de THW'ers die buiten in een tent een primitieve maaltijd nuttigen.

Het loopt tegen het middaguur en Bier is vanaf de vorige avond in de weer. Hulpverlening staat nooit stil, realiseert hij zich. Vóór zich ziet hij de vrachtwagens onophoudelijk aanschuiven bij het plaatselijke pompstation. De groene camions van het leger, de oranje auto's van de communicatiediensten en de blauwe trucks van Technisches Hilfswerk. Ook het tanken gaat dag en nacht door.