Belastingverhoging voor bejaarden

In Den Haag leggen ambtenaren op dit moment de laatste hand aan de belastingplannen voor het volgend jaar. De voorspoedige economische ontwikkeling biedt in 1998 ruimte voor meer lastenverlichting dan zich eerder liet aanzien. In een verkiezingsjaar is dat mooi meegenomen. Op de derde dinsdag in september zal het electoraat zoals gebruikelijk worden gebombardeerd met koopkrachtplaatjes.

Die pretenderen een beeld te geven van de gevolgen van belastingmaatregelen en veranderingen in de sociale uitkeringen voor het budget van de Nederlandse huishoudens. Het kan niet vaak genoeg worden herhaald dat de waarde van deze overzichten zeer beperkt is. Voor zelfstandige ondernemers worden ze helemaal niet gemaakt, omdat de winstontwikkeling per afzonderlijk bedrijf sterk verschilt, grotendeels door oorzaken waar Den Haag geen invloed op heeft. Veel werknemers ervaren al jarenlang veel grotere loonstijgingen dan achtereenvolgende koopkrachtoverzichten suggereren. Dat komt, doordat de makers ervan aannemen dat witte en blauwe boorden alleen de verhoging krijgen die de vakbonden bij CAO-onderhandelingen met de werkgevers afspreken. Veel werknemers gaan er echter veel meer op vooruit, doordat zij opslag krijgen, promotie maken, of een beter betalende baan hebben gevonden. In wezen geven koopkrachtplaatjes uitsluitend een redelijk accuraat beeld van de inkomensontwikkeling van mensen die heel 1998 van een uitkering zullen leven. Wanneer zij naast hun uitkering weinig of geen andere inkomsten hebben, bepaalt de overheid immers grotendeels hoeveel geld zij elke maand te besteden hebben.

Honderduizenden ouderen voldoen aan deze voorwaarde. Naast hun AOW-uitkering genieten zij in het beste geval een bescheiden aanvullend pensioen, en ontvangen zij een beperkt bedrag aan rente over hun tegoed bij de spaarbank. Deze groep senioren krijgt in september een bittere pil te slikken. Zoals hier eind april al is voorgerekend, gaan zij volgend jaar over hun inkomen dat valt in de eerste tariefschijf geen vijf, maar tien procent inkomstenbelasting betalen. Vijfenzestig-plussers die uitsluitend een AOW-uitkering ontvangen, blijven overigens van deze lastenverzwaring verschoond. De netto AOW is namelijk gebaseerd op het netto minimumloon. Omdat senioren meer belasting verschuldigd worden, gaat hun bruto uitkering volgend jaar extra omhoog, en wel met een zodanig bedrag dat de netto AOW, ondanks de belastingverhoging, niet daalt. Ouderen die naast hun AOW nog andere inkomsten hebben (pensioen, rente op een spaarrekening, fiscale huurwaardebijtelling van het eigen huis) zien hun belastingaanslag echter flink stijgen. Alle 65-plussers met een jaarinkomen van 25.000 gulden en hoger dreigen hierdoor in 1998 twee tot vier procent koopkracht te verliezen. In verhouding de zwaarste klappen vallen bij ouderen die met hun inkomen aan het eind van de eerste schijf zitten. Dit zijn mensen met een jaarinkomen tussen 50.000 en 55.000 gulden. Zij zijn maandelijks meer dan 150 gulden extra aan de fiscus kwijt.

De belastingverzwaring voor ouderen is indirect het gevolg van de komende herziening van de collectieve arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (AAW en WAO), waarmee het parlement inmiddels akkoord is gegaan. Minister Melkert van Sociale Zaken heeft verklaard (in de Telegraaf van 23 juni jl.) “dat ouderen niet het gelag mogen betalen voor een op zichzelf gerechtvaardigde wijziging in de WAO-wetgeving”. Hij liet bij die gelegenheid doorschemeren senioren te willen compenseren door de bestaande belastingaftrek voor ouderen te verhogen. Mocht het kabinet voor deze oplossing kiezen, dan zal wel blijken dat het nooit lukt om langs deze weg de inkomensschade van ouderen volledig te repareren. Met name senioren met een aanvullend pensioen van meer dan duizend gulden in de maand zullen er ondanks de geboden compensatie behoorlijk op achteruitgaan. Dat zal met veel protest gepaard gaan. De Tweede Kamer zal zich daar naar verwachting ontvankelijk voor tonen. Maar belasingbetalende junioren hebben goede redenen om zich af te vragen of de ophanden zijnde lastenverzwaring voor senioren wel zo onredelijk is. Iedereen jonger dan 65 jaar betaalt over inkomen in de eerste schijf op dit moment ruim 37 procent belasting en premies voor de volksverzekeringen. Voor ouderen bedraagt het tarief slechts 15,5 procent. Is het zo onredelijk dit tariefverschil van meer dan twintig punten wat kleiner te maken en het terug te brengen tot ruim vijftien punten?

Gaan de kabinetsplannen ongewijzigd door, dan is het in 1998 resterende tariefverschil uitsluitend gevolg van het feit dat ouderen geen premie voor de AOW hoeven te betalen. Deze ongelijke behandeling van jong en oud vloeit voort uit de visie dat de AOW een verzekering is. Bij een echte verzekering stopt de premiebetaling, zodra het verzekerde risico (65 jaar worden) eenmaal is ingetreden. De AOW is echter geen verzekering, maar in wezen een sociale voorziening, omdat er nauwelijks verband bestaat tussen ontvangen uitkeringen en de premies die iemand in het verleden heeft betaald. Daarom is de vraag gerechtvaardigd of ouderen op den duur niet net zoals iedereen 37 procent moeten gaan betalen over hun inkomen in de eerste schijf.

In vergelijking met junioren hebben senioren dan nog steeds een extra ouderenaftrek van vele duizenden guldens. Ondernemers kunnen jaarlijks een zelfstandigenaftrek van tienduizend gulden claimen. Ruim zes miljoen werknemers zouden zich langzamerhand mogen afvragen of het geen tijd wordt voor invoering van een werknemersaftrek.

Het belastingdebat in november aanstaande zou niet alleen moeten gaan over koopkrachtverliezen en de reparatie daarvan, maar ook over de tariefstructuur voor jong en oud, en over de objectieve rechtvaardiging van speciale aftrekposten voor ouderen en zelfstandigen. Zo'n principieel debat over belangrijke grondslagen van ons belastingstelsel lijkt dringend gewenst.