Antoon van Hooff houdt met Burgers' Zoo liever de eigen broek op; Na de rimboe een tochtje door de woestijn

Tot voor kort boden alle Nederlandse dierentuinen min of meer hetzelfde beeld. Anno 1997 woelt het overal en zoekt ieder park zijn eigen specialisatie en marktpositie. Tweede artikel in een zesdelige serie over de harde strijd om het bestaan in de branche: Dierentuinen op drift.

Bij een wandeling door zijn overdekte tropische regenwoud houdt Antoon van Hooff telkens even de pas in: “Kijk daar! Een blauwborstvliegenvanger! En daar op die tak, een Sneeuwkaproodborsttapuit!” Via slingerpaadjes baant hij zich een verdere weg door de vochtig warme jungle van 15.000 tropische bomen en planten, waar honderden vogels, reptielen, vissen en zeekoeien 'in vrijheid' leven. Hoog tussen de lianen hangen kalongs (vruchtenetende vleermuizen) aan hun pootjes te slapen en een Anhinga rufa (slangehalsvogel) neemt intussen een duik in een van de snelle stroompjes om een visje te verschalken. Ergens in het binnenste van de Bush hebben kaaimannen een afgescheiden leefruimte en ook enkele otters mogen alleen daar knagen en dammen bouwen waar de directie van Burgers' Zoo het wil.

“Bent u avontuurlijk ingesteld?” informeert Van Hooff, “kom, dan nemen we dit rotspaadje en dan steken we via die touwbrug dat beekje over.” Onderweg passeren wij het wrak van een 'verongelukte' Landrover, een pygmeeënhut, een papoea-paalwoning en een 17 meter hoge waterval. De bezoeker komt ogen te kort en dat is precies wat Van Hooff heeft beoogd met de inrichting van Burgers' Bush, ondergebracht in een tot twintig meter hoog glaspaleis van bijna 1 1/2 hectare vloeroppervlak, waar het via een sproeisysteem in de dakconstructie alleen 's nachts regent.

Buiten druilt de echte regen en staat een straffe wind, maar dat kan de directeur niet deren: in de loop der jaren heeft hij een aanzienlijk deel van zijn Arnhemse dierentuin overkapt. Wie na een bezoek aan de rimboe zin heeft in een tocht door de Noord-Amerikaanse Sonorawoestijn hoeft daarvoor maar enkele honderden meters te lopen. Aan het eind van een onderaardse tunnel met nachtdieren, fossielen, mineralen en 'goudaders' wacht de Desert. Decorbouwers en tuinlieden hebben er meer dan manshoge cactussen en andere woestijnplanten geplant en gigantische rotsformaties, canyons en zandduinen aangelegd. Met een vaart van 25 kilometer per uur schicht een renkoekoek door dit artificiële landschap van 3/4 hectare. Elders onder het glazen dak zitten, vliegen of scharrelen vogels, lynxen, kitvosjes en andere woestijndieren. “Een dergelijke uitstalling noemen wij een eco-display”, doceert Van Hooff. “Bezoekers kunnen de dieren hier bekijken in hun natuurlijke omgeving, terwijl ze volop bezig zijn hun kostje bijeen te scharrelen en zich voort te planten. De tijd van de ouderwetse dierentuin is voorbij, althans wat ons betreft. Van een aantal dieren hebben we al afscheid genomen. De zeeleeuwen, de ijsberen, de tijgers en de hyena's zijn allemaal weg omdat we geen passende ruimte meer voor ze hadden.”

Van Hooffs grootvader Johan Burgers, een anno 1870 geboren Achterhoekse slachter en groothandelaar in vee en vlees, begon met voor zijn liefhebberij kippen te houden. Vervolgens bouwde hij 's werelds grootste verzameling fazanten op, en toen hij die compleet had richtte hij zijn verzamelwoede op wolven, lama's, apen, olifanten, leeuwen en andere wilde diersoorten. De eerste jaren hield de gefortuneerde Burgers zijn collectie voor zichzelf, in de tuin bij zijn landgoed Buitenlust nabij 's Heerenberg achter Zutphen, totdat hij 84 jaar geleden besloot er een publieke diergaarde van te maken. Aan zijn villa bouwde hij een kassa (entree 20 cent, kinderen half geld) en zijn echtgenote Maria scheurde daar de kaartjes af, een functie die zij vervulde tot aan haar dood in 1964, op 86-jarige leeftijd.

Volgens de huiskroniek kostte het bezoekers van buiten de regio in de begintijd de grootste moeite om met boemeltjes, bussen en fietsen tot in 's Heerenberg te komen, reden waarom Burgers zijn park in 1924 naar Arnhem verplaatste, naar een per openbaar vervoer eenvoudig bereikbaar bos terzijde van het twaalf jaar eerder geopende Openluchtmuseum. Naar het voorbeeld van Carl Hagenbeck (een Duitse dierenhandelaar die van de jungle tot de pool trok om dieren te vangen en nabij Hamburg een dierentuin annex showroom exploiteerde) bouwde Burgers in Arnhem het eerste Nederlandse tralievrije roofdierenverblijf in de vorm van een ijsberenrots, spoedig gevolgd door een leeuwenterras. Omdat de dieren in zo'n omgeving veel meer paarden en baarden dan in een kooi, kwamen zij al spoedig krap in de ruimte te zitten. Zo telde het leeuwenterras op een goed moment 35 leeuwen, wat Burgers de gedachte ingaf zijn overschot aan andere dierentuinen en aan circussen te verkopen. Binnen enkele jaren maakte hij naam als Europa's grootste leeuwenfokker. Zijn kleinzoon Antoon van Hooff typeert hem als een koopman: “Geen man van lang praten, maar een kordate doener. In de jaren dertig heeft hij zijn dierentuin aanzienlijk vergroot, gebruik makend van allerlei overheidsregelingen om werklozen aan werk te helpen. Hij was een heel aardige man, je moest 'm alleen niet voor de voeten lopen, want dan explodeerde hij. Dat trekje zit nog steeds een beetje in de familie.”

Eind jaren dertig vond de bijna 70-jarige Burgers het tijd om het rustiger aan te gaan doen, maar omdat hij wel drie dochters maar geen zonen had, vroeg hij zijn Brabantse schoonzoon, de jurist Reinier van Hooff, tot de directie toe te treden. Vanaf de dood van Burgers in het oorlogsjaar 1943 stond Van Hooff er alleen voor en al die tijd ondervond Burgers' Zoo weinig tot geen hinder van de Duitse bezetting (alleen voor joden was de toegang verboden). Op 17 september 1944 braken echter zware tijden aan als gevolg van geallieerde pogingen de brug over de Rijn in handen te krijgen. Zowel onder het personeel als onder de dieren vielen slachtoffers. Na de bevrijding bleek een groot aantal dieren te zijn gesneuveld, weggelopen of gevlogen; een deel van het gevogelte was door de Ortskommandant als 'einer Wildbraten' voor zijn tafel opgeëist. Veel andere dieren stonden dankzij het voederen met op het slagveld geraapte kadavers van koeien en paarden nog op hun poten (waaronder de enige giraffe die de Tweede Wereloorloog in Nederland had overleefd), zodat Burgers' Zoo na een restauratie, het aankopen van nieuwe dieren en het ruilen van Hollands rundvee voor Afrikaanse antilopen en zebra's weer de poorten kon openen.

Ook onder de directie van Van Hooff senior bleef het streven erop gericht voor de dieren zoveel mogelijk eigen leefruimten aan te leggen in plaats van hen gekooid te houden, maar voor de grote doorbraak zorgde zijn zoon Antoon, die eind jaren vijftig zijn studie veeartsenijkunde had afgebroken om zijn zieke vader te assisteren en die na diens dood in 1966 de directie overnam.

“Al toen ik zeven jaar oud was, werd mij ingeprent waar mijn toekomst lag”, vertelt Van Hooff, zijn zoveelste sigaar opstekend. Zijn oudere broer Jan was eveneens voorbestemd voor de opvolging, maar verkoos een wetenschappelijke carrière als etholoog (gedragskundige van dieren), met chimpansees als specialisme. Mede op Jans advies besloot Antoon in de loop van de jaren zestig te breken met de dierentuin oude stijl (met afzonderlijke dieren in afzonderlijke ruimten) en daarvoor in de plaats ecologisch doordachte landschappen in te richten waar meerdere diersoorten bijeen konden leven.

Het eerste resultaat was in 1968 de opening van Burgers' Safaripark, op een aanpalend terrein van 20 hectare, aangekocht van de gemeente Arnhem. Om dat perceel kwam een dubbel hek van bijna 5 meter hoog en daarbinnen werden weggetjes aangelegd waarop bezoekers per eigen auto op safari konden gaan. Eerst liepen er alleen leeuwen, later ook giraffen, zebra's, antilopen, struisvogels en neushoorns. Dit eerste safaripark op het Europese continent was onmiddellijk een kassucces ondanks de voor die tijd forse toegangsprijs van een tientje per auto. “Ons safaripark”, zegt Van Hoof na bijna dertig jaar nog steeds verongelijkt, “werd in het begin verguisd als een commerciële act. En toch was het ons begonnen om de dieren meer de ruimte te geven, al spoorde ons beleid ook met onze concernfilosofie dat we om onze broek op te houden meer bezoekers moesten trekken.” De belangstelling was zo overweldigend dat de auto's bumper aan bumper door het park reden. Regelmatig ontstonden opstoppingen door kokende motoren en om hapjes bedelende dieren. Op den duur werden de leeuwen zo brutaal dat ze over de auto's heen liepen. “Van het bekijken van het natuurlijke gedrag van dieren was geen sprake meer en door de uitlaatgassen ging hun gezondheid ernstig achteruit”, aldus Van Hooff, die daarop de auto's uit het safaripark weerde en eigen safaritreintjes inzette. Ook dat bleek logistiek problematisch en verstorend voor de dieren. Daarom ligt er sinds 1995 een loopbrug. Iedereen kan nu in eigen tempo wandelend de dieren, waaronder ook jachtluipaarden, dwergkangoeroes, Patagonische hazen en kraanvogels, vanuit de hoogte gadeslaan in een zogeheten savannelandschap met onmiskenbaar Veluwse trekken.

Naast het Safaripark verrees een buitenverblijf van 1 hectare voor chimpansees en gorilla's. Alleen bij slecht weer zitten zij nog binnen in een soort sporthal met klimrekken en bosjes prei, stronken witlof en kroppen sla op de betonvloer. Volgens Van Hooff is het gedrag van de dieren in deze verblijven zó natuurlijk dat aankomende en gevorderde biologen zich verdringen om deze aapsoorten in Burgers' Zoo te komen observeren. Wie hier een mens met opschrijfblok, zaktelefoon en draagbare computer ontwaart, dient dit te beschouwen als teken van vooruitgang in de wereld der diergaarden.

Elders in het park ligt een wolvenbos, met daarin een huisje van Roodkapje - een relikwie uit opa's tijd. De laatste aanwinsten, de Bush en de Desert, komen echter het meest in de richting van wat de inmiddels 59-jarige Van Hooff junior voor ogen staat als de dierentuin van de toekomst. Binnen deze eco-displays is niet alleen overdekte ruimte gecreëerd voor met het blote oog zichtbare dieren en planten, maar ook voor allerlei insecten en micro-organismen die het biologische leven in natuurlijke balans houden. Bestrijding van ongedierte met gif is principieel taboe. Wielwebspinnen, kakkerlakken, slakken, galmuggen, sluipwespen en schimmelcultures fungeren in de Bush als opruimers van schadelijke parasieten en als verteerders van afgevallen bladeren. Angelloze bijen zorgen voor de bestuiving van bloemen. Waterschildpadden eten de uitwerpselen van zeekoeien, kakkerlakken ruimen kadavertjes op, kameleons loeren op insecten en luizen op planten worden opgegeten door lieverheersbeestjes, honingvogels en pijlgifkikkers. Mest voor planten en bomen komt van de eigen olifanten.

Om het natuurlijke beeld in Burgers' Bush niet te verstoren, staan nìet overal bordjes met tekst en uitleg; wie dieper op de materie wil ingaan kan terecht in een speciale expositieruimte die genoeg stof biedt voor hele opstellen en scripties. Ook dát is wat Van Hooff wil: een educatief centrum bieden. “Maar...”, zegt hij met nadruk, “de fun staat hier voorop en dat moet zo blijven. Wij zijn er voor de recreatie. Dit is een fantastische toko. Ik moet er niet aan denken een andersoortig bedrijf te leiden. Zo'n dierentuin is eigenlijk net een klein dorp. Ik ben een heel klein burgemeestertje voor onze 3000 dieren en 185 medewerkers in vaste en losse dienst, en dat werk vult al mijn dagen en ook een groot deel van de avonden.”

Dagelijks maakt hij - bij voorkeur buiten openingstijden - een rondgang door Burgers' Zoo om te zien of alles picobello in orde is en of bijvoorbeeld alle lichtjes branden, ook in het hol van het konijnuiltje. Wandelt hij overdag door de tuin dan wordt hij permanent staande gehouden door mensen die hem van de televisie kennen. “Mijnheer Van Hooff”, schiet een bejaarde vrouw hem aan, “Ik heb thuis een reusachtige agave. Dat zou wat voor de Desert zijn. Binnenkort ga ik naar het bejaardenhuis. Wil ù 'm hebben?”

Sinds 1963, zo verklaart de directeur deze populariteit, maakt hij dierenprogramma's, waarvoor hij over de hele wereld filmt. “Mijn beste ideeën voor dit park krijg ik in de originele natuur waarin mijn dieren leven. Het landschap, de flora en fauna, alles inspireert mij om de hele wereld hier op kleine schaal na te bouwen. Zo hebben we ook een overdekt mangrovebos met een vegetatie van in brak water gedijende steltwortelbomen, wenkkrabben, rallen en slijkspringers.”

Zelf werpt hij zich voor 100 procent op het collectioneren van binnen zijn beleid passende dieren; zijn echtgenote doet de horeca en probeert eveneens telkens haar grenzen te verleggen door het verzinnen van passende hapjes en drankjes. In het exotisch ingerichte Bush-zelfbedieningsrestaurant worden behalve friet, hamburger en Coca-Cola ook jungle-cocktails, mangosap, cocosnoten, ramboetan en pindasoep geserveerd. Wie in het oerwoud wil picknicken kan bij het buffet een bamboekoffertje vol exotisch voedsel bestellen. Verder zijn er tropenhelmen en waaiers te koop. Op het terras van een in Indianenstijl gebouwde Cantina in de Desert staan op de kaart onder meer Coronabier, taco's en Mexicaanse gehakballetjes.

“Meer dan ooit”, zegt Van Hooff, “komt het erop aan je te onderscheiden. We willen het echter niet in de kitsch en sensatie zoeken, niet in drie keer over de kop en vier maal om de lengte-as. Ook zijn we hier wars van shows met dieren. Ik houd niet van dressuur. Ons gaat het er juist om dat de dieren hier hun natuurlijke gedrag vertonen. Het meest spectaculaire in de wereld is en blijft de natuur.”

In de buitenlucht zijn nog restanten van de oude dierentuin te bezichtigen, waaronder klassieke volières met een zielige renkoekoek die slechts 2 meter de ruimte heeft, getraliede kooien met suffige roofvogels, een krap olifantenperk, een flamingovijvertje. De metamorfose is echter nog lang niet voltooid. Antoon van Hooff heeft nog diverse uitbreidingen in petto, allemaal in de sfeer van 'eco-displays', waaronder een reusachtig 'watergebeuren'. Pas na enig aandringen laat hij iets los over een superaquarium dat bij bezoekers de indruk moet wekken dat ze diep onder zee en op koraalriffen een ontdekkingstocht aan het maken zijn. De hiervoor benodigde investering wordt geraamd op 35 miljoen gulden. De in 1988 geopende Bush kostte 20 miljoen gulden en de in 1994 geopende Desert 25 miljoen, “en dat moeten we allemaal zelf ophoesten. Alleen voor de Bush hebben we een subsidie gekregen vanwege de innovatieve dakconstructie”.

Van sponsoring moet Van Hooff weinig hebben: “In die sfeer doen we alleen wat met de leveranciers van onze dranken, en dan nog in lichte mate. Wat sommige andere parken doen, het laten 'adopteren' van attracties door het bedrijfsleven, daar beginnen wij liever niet aan. Ik blijf graag baas in eigen tuin, ik wil er geen reclamebos van maken en bovendien is het levensgevaarlijk om financieel zwaar op het bedrijfsleven te leunen. Gaat het daar slecht, dan gaan de geldkranen dicht. Dus houden we liever zelf onze broek op door steeds innovatief te zijn.”

Ook is Van Hooff, anders dan directeuren van andere dierenparken, niet makkelijk te porren tot het aangaan van zogenaamde 'joint-promotions' met bedrijven die hun producten voorzien van bonnen waarmee men goedkoper de tuin binnenkomt: “Een voordeel van dat soort acties is dat je in reclamecampagnes meedraait, maar het nadeel is dat het je inkomsten erodeert en dat mensen die geen korting krijgen zich bekocht kunnen voelen als zij de volle mep moeten betalen. Ik ben wat dat betreft misschien erg rechtlijnig.”

Liever doet Van Hooff zijn best om het hele jaar door bezoekers te trekken en dat kan - gegeven het Nederlandse klimaat - alleen door fors in overdekte attracties te investeren: “De mensen krijgen steeds meer vrije tijd, en dat het hele jaar door. Welnu, dan moet je ervoor zorgen dat je hun iets te bieden hebt opdat ze niet alleen zomers hier binnenwandelen. Vroeger moesten wij het voor 70 procent van het hoogseizoen hebben, ik schat dat dat seizoen nu nog voor 40 procent van onze inkomsten zorgt. Zelfs bij de slechtste weersomstandigheden trekken we nu bezoekers.”

Nog andere inkomsten put Van Hooff uit feesten en partijen gedurende de avonduren, met name in het Bush-restaurant. Het overdekte regenwoud wordt dan voor bezoekers afgesloten “want de dieren moeten rust hebben”. Het loopt leuk, maar Van Hooff wil dergelijke activiteiten toch wat gaan afremmen: “Het dierenpark is onze core-business, niet het serveren van buffetten en cocktails.”

Gevraagd naar de jaarcijfers zegt hij: “Die publiceren we nooit, maar vooruit: op jaarbasis trekken we ruim een miljoen bezoekers en onze omzet ligt ergens rond de dertig miljoen gulden.” En het profijt? “O dat moet u me niet vragen, zo goed ben ik niet accountancy. Laten we zeggen: in ieder geval enkele miljoenen, en die hebben we hard nodig om te investeren in telkens nieuwe attracties die het bezoekersaantal een extra impuls kunnen geven. Wat dat betreft zitten we in dezelfde tredmolen als alle andere attractieparken. Je bouwt voor veel geld iets nieuws, dat geeft vervolgens een verhoging van het bezoekersaantal te zien, geleidelijk vlakt die toestroom weer af en dan moet je opnieuw met iets nieuws komen wat de totale attractie van je park naar een nog hoger niveau tilt, en op die manier gaat het maar door.”

Hoe lang hij nog de directie zal voeren durft Van Hooff niet te zeggen. In de opvolging is al voorzien: een zoon en een dochter doen na studies bedrijfskunde en hogere horeca ervaring op bij concurrenten. “Het liefst zou ik nog jaren doorgaan”, verzucht de 59-jarige Van Hooff. “Afscheid nemen van wat mij zo aan het hart gebakken zit zal mij de grootste moeite kosten.”