'Wat doe je dan? Je liquideert ze'

Deze zomer, een halve eeuw geleden, begonnen de politionele acties tegen Indonesië. Sindsdien is de militaire strafoperatie in een ander licht komen te staan. Voor luitenant-kolonel b.d. Bert Schüssler, toen een jonge officier, werden de acties zijn vuurdoop. “Ze verwachten hardheid.”

COEVORDEN, 4 AUG. “Mensen maken me wel eens uit voor moordenaar. Dat ben ik niet. Een killer: ja. Maar dat is iets heel anders. Dan dood je om te overleven.”

Als 22-jarige reserve-tweede-luitenant arriveerde Bert Schüssler op 1 januari 1948 in Zuid-Sumatra in het kader van de tweede politionele actie van het Nederlandse leger tegen Indonesië.

“Wij waren enthousiast. Orde en vrede brengen in Indië, ik vond het prachtig. Een avontuur. Wisten wij veel. In Nederland, en zeker in het leger, kreeg je geen enkel signaal dat het om meer ging dan om loslopende bandieten. We wisten wel dat we daar niet het verkeer gingen regelen. We waren tenslotte opgeleid om te doden. Door veteranen van het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger die nog in Atjeh hadden gevochten.”

Schüssler zat eerst vier maanden lang in Zuid-Sumatra. Toen zich de kans voordeed om naar Bandung te gaan waar beroepsofficieren werden opgeleid, aarzelde hij geen moment. Schüssler wilde geen beroepsofficier worden, maar zich aanmelden bij Raymond Westerling, commandant van het Korps Speciale Troepen, dat bekend stond als 'de Groene Baretten'. Zijn enthousiasme werd beloond. Binnen een maand was hij overgeplaatst.

“Ik heb nog een maand onder Westerling gediend, tussen de jongens die Celebes (nu Sulawesi) hadden gezuiverd. Ik diende nog wel bij de Koninklijke Landmacht, maar tussen mannen van het KNIL. Dat was een heel andere mentaliteit. Die Ambonezen en Menadonezen in dat korps, dat waren echte vechtersbazen. Fanatiek! Voor Koningin en Vaderland.”

Op 19 december 1948 deed Schüssler mee aan de aanval op Yogyakarta, waar de regering van de Republiek Indonesië haar hoofdkwartier had ingericht. Na een spectaculaire parachutisten-dropping op het vliegveld bij Yog- yakarta werd het Korps Speciale Troepen ingevlogen. Schüssler was commandant van het voorste peloton.

“We konden vrijwel direct doorrijden. Okee, er werd wel op ons geschoten door sluipschutters en vanuit een bunker aan de rand van de stad. Maar toen ik luchtsteun vroeg, was het snel gepiept. We gingen tussen de middag weg en om drie uur waren we bij het paleis van Sukarno, de ambtswoning van de voormalige gouverneur. De paleiswachten openden vuur. Wij schoten terug.

“Toen het even stil was, verschenen drie mannen met een witte vlag op het bordes. Ik gelastte een staakt-het-vuren en liep samen met mijn sergeant Vermeer, die Maleis sprak, erop af. Van dichtbij herkende ik Sukarno. Ik liet Vermeer vragen hoeveel mensen er in het paleis waren. 'Een man of zestig', was het antwoord. Opeens sprak Sukarno mij aan. 'Is kapitein Westerling nog steeds jullie commandant?' Hij was zo gespannen als een snaar. Ik antwoordde dat Westerling inmiddels was vervangen door overste Van Beek. Je zag dat er een last van Sukarno afviel. Hij was timide, maar hij kreeg onmiddellijk zijn zelfvertrouwen weer terug. Het was een historisch moment en het was zó voorbij. Wij moesten meteen door om een nabije elektriciteitscentrale te bezetten. Het hele gebeuren heeft toendertijd nauwelijks indruk op mij gemaakt.”

Direct na de actie in Yogyakarta moest Schüssler naar Midden-Sumatra, met de opdracht daar 'belangrijke gebieden te zuiveren'.

“Dat betekende: patrouilleren, vooral 's nachts. We gingen erop uit met lichte wapens en veel munitie. We aten planten en kleine dieren. Jungle-guerrilla is voornamelijk: constant op je hoede zijn, je oren gespitst. Je moet elk geluid kunnen herkennen: een sigaret die wordt opgestoken op vijftig of op tweehonderd meter afstand, het geluid van schurende broekspijpen als iemand loopt. Hoe herken je een pelopper (opstandeling)? Ik had daar een speciaal zintuig voor. Als er een patrouille uit moest, stuurde mijn baas, kapitein Faber, meestal mij. Want ik kwam bijna altijd wel met iets terug.

“Als we iemand ongemerkt konden naderen, pasten we silent killing toe. Daar waren we voor opgeleid. Dat kan met een koord maar ook met een dolk, terwijl je een hand voor zijn mond houdt. Wij hadden altijd koorden bij ons. We moesten natuurlijk ook gevangenen ondervragen. Van hun informatie kon je leven afhangen. Dan rolden we zo'n kereltje in een tikar, een rieten mat, met zijn kop er boven uit. Die mat kwam dan onder zijn voeten uit, want die mannetjes zijn niet zo groot. Die mat stak je dan in brand. Zij voelden zelf wel: 'als ik niet praat, dan verbrand ik levend'. Dus ze praatten wel. Of je liet ze een plank met lange spijkers boven hun hoofd houden, met een zware kei erop. Niemand wil een spijker in zijn kop.

“Als je een kameraad aantreft met zijn kop eraf of aan een spies geregen, word je kwaad. Het beest in de mens ontwaakt. Je moet het wel onder controle hebben, anders wordt het pervers.

“Wij vochten nog met de klewang (kapmes). Vlijmscherp waren die. Ik heb meegemaakt dat onze Ambonnezen bij twee gevangenen rats, rats, hun oren eraf sneden. Het bloed spoot er in dunne straaltjes uit. Ik zag hoe mijn mannen het bloed van hun klewangs aflikten. Bloeddorst? Het was voor hun een ritueel zoals wij ons moed indrinken, denk ik. Maar als ik zei: 'En nu is 't uit', was het ook afgelopen. Ik verbaasde me erover, maar ik kon er wel mee leven. De mentaliteit van de Indonesiërs is zo totaal anders. Zij verwachten hardheid. Als je zacht was, respecteerden ze je niet. Mijn baas, kapitein Faber, begreep dat wel.

“Faber was een beest van een vent. Altijd zijn overhemd bijna tot zijn navel open, zijn baret achter op zijn hoofd. Als hij niet snel genoeg werd bediend in een café, schoot hij gewoon even in de bar om de bestelling te bespoedigen. Achteraf hoorde ik dat hij was onderscheiden met de Militaire Willemsorde voor zijn acties tegen de Japanners in de Tweede Wereldoorlog. Hij was gek op drank en vrouwen. Ik herinner me nog dat hij tegen onze sergeant-hospik, Van Balkom, zei: 'Dok, vanavond wil ik een fles jenever en een vrouw. Maar jij moet haar eerst neuken, dan weet ik zeker dat ze niet ziek is'. Zo was de sfeer: oprecht en kameraadschappelijk. Daar houd ik van.

“We zouden eens bezoek krijgen van de Commissie van Goede Diensten (de voorlopers van de huidige VN-waarnemers). Faber zei: 'Ik mot die kerels niet. Geen pottenkijkers hier'. Hij gaf mij bevel een hinderlaag te ensceneren. Ik legde wat bomen over de weg heen en begon te schieten toen ze aan kwamen rijden met hun jeep. Niet raak, natuurlijk. Maar ze zijn wel meteen weer omgekeerd.”

In februari 1949 werd Schüsslers eenheid verscheept naar Oost-Java. Op 27 februari werd hij met zijn peloton tachtig kilometer het vijandelijk gebied in gestuurd, om het archief en het instrumentarium van het 'Boschwezen' (het Indische equivalent van de Heidemaatschappij), ter waarde van ruim 25.000 gulden, buit te maken. Tijdens deze drie dagen durende patrouille stuitten ze op 'enige weerstand' van Indonesiërs. Schüssler schat dat gedurende deze operatie 35 man zijn gedood en vijf anderen levend gevangen werden genomen.

“Wat doe je dan? Je liquideert ze. Als je ze laat leven, waarschuwen ze hun mensen. We stelden ze op en we schoten ze overhoop. Dat is helemaal niet moeilijk, wel ingrijpend. Doden in oorlog is een gewenningsproces, zoals je een vlieg leert doodslaan: de tweede gaat makkelijker dan de eerste, bij de derde denk je alleen maar 'die loopt in de weg'. Ik ben gelukkig iemand die na zo'n actie de knop kan omdraaien.”

Bert Schüssler was tussen 20 februari en 30 april 1949 actief in Sumatra en in Oost-Java. Bij verscheidene acties tegen wat toen terroristische bendes heette, werden de Indonesische vijand zware verliezen aan doden en wapens toegebracht. In de oorkonde bij zijn Militaire Willemsorde staat onder meer: 'Het succes (van die acties) was telkens te danken aan het door hem gegeven voorbeeld van stoutmoedig en doortastend optreden'. De acties van Schüsslers peloton hebben vermoedelijk het leven gekost aan ongeveer driehonderd Indonesiërs. Daarbij werden ook wapens buitgemaakt. Binnen Schüsslers peloton vielen er vier doden en tien gewonden.

“Toen wij later in Nederland terugkwamen, zijn we met de nek aangekeken. Ze moeten mij niet aankomen met die emotionele praatjes. Ik vind: oorlog is als een sport. Zij het een smerige sport. Je moet de tegenstander met alles wat je hebt te slim af proberen te zijn. Als je tegenstander wreed is, moet je daar iets tegenoverstellen. Mijn motivatie was niet de eed van trouw. Zo'n eed vind ik flauwekul. In oorlog denk je toch niet aan koningin en vaderland? Je wilt gewoon je maten niet in de steek laten. Samen uit, samen thuis, dat is het enige wat telt.”

In 1980 ging Schüssler na een veelbewogen militaire carrière met pensioen. Hij kreeg bij die gelegenheid een telegram van de koningin: 'U kunt er van verzekerd zijn dat Uw voorbeeld een bron van inspiratie zal zijn voor komende generaties. Met alle waardering en erkentelijkheid voor Uw bijdrage in dienst van het Vaderland zend ik u mijn beste wensen voor Uw nieuwe levensperiode. Beatrix.'