Jongeren met gevoel voor traditie

Bunker Hill. Uitg. Stichting Bunker Hill. 64 blz. Prijs ƒ 15,-. Verschijnt vier maal per jaar.

Je ziet onmiddellijk dat het anders is. Het nieuwe tijdschrift Bunker Hill ziet er rustig uit, beschaafd ook, en zelfs een beetje ouderwets. De lay-out is verzorgd, met een mooie, elegante broodletter (achterin omschreven als de 'Filsofia') en zacht en stevig papier: voor het binnenwerk is 'Da Costa 200 blauwwit 100g/m' gebruikt, zo meldt het colofon parmantig, voor het buitenwerk het kartonachtige 'Bio Supra naturel 250 g/m'. Wie niet beter zou weten zou denken dat het hier het nieuwe orgaan van de Vereniging voor Letterkundige Boekhouders betrof, of het nieuwe blad van het Cyriel Buysse-genootschap, maar het is dus een nieuw literair tijdschrift en zelfs voor jongere schrijvers.

De meeste 'jongere tijdschriften' die de laatste jaren verschenen (Zoetermeer, Millennium, Mosselvocht) probeerden zich van de oude garde te onderscheiden door veel straatrumoer een geforceerde jeugdigheid, wat zich meestal uitte in een soort literair Nieuwe Revu-proza. Bunker Hill wil daar weinig mee te maken hebben, zo blijkt uit alles. Het blad afficheert zich als 'een tijdschrift met gevoel voor traditie' dat werk wil publiceren 'dat zich niet staande houdt aan de leuningen van de tijd'. Geen straatrumoer of caféverhalen dus, maar waar Bunker Hill dan wel voor staat wordt uit dit nul-nummer nog niet erg duidelijk. Een aanwijzing is de titel, ontleend aan de roman Dreams from Bunker Hill van de Amerikaanse schrijver John Fante (1909-1983). Fante is bekend geworden met zijn Arturo Bandini-cyclus, waarvan de eerste, Wait until spring, Bandini (1938) door de verfilming van Dominique Deruddere weer de bekendste is. Fante is een mooie schrijver, nooit erg doorgebroken en daardoor een beetje cult - een schrijver waarmee je nog kunt pronken als je hem gelezen hebt. Dat dat niet onterecht is, blijkt uit het prachtige fragment dat dit nul-nummer van Bunker Hill afsluit en waarin Arturo Bandini, succesvol scenarioschrijver in Hollywood, thuiskomt maar niet de bewondering krijgt waarop hij hoopte.

Het fragment van Fante maakt weliswaar duidelijk dat 'de bijdragen in Bunker Hill niet van gisteren, noch van morgen (zijn), maar hun eigen koers varen', onduidelijk blijft waarin het blad zich wil onderscheiden van de 'oudere' tijdschriften. De redactie pretendeert werk te bieden waarvoor 'elders geen plaats is', maar met bijdragen van Jaap Scholten, Wanda Reissel en Adriaan Jaeggi is dat moeilijk vol te houden. (Opvallend is overigens dat zowel Scholten als Jaeggi aan uitgeverij Thomas Rap verbonden is - is Bunker Hill gewoon een nieuw literair tijdschrift van Thomas Rap?)

Erg is de aanwezigheid van die bekendere auteurs overigens niet, want juist door die bijdragen ligt het niveau van Bunker Hill beduidend hoger dan dat van andere aanstormende tijdschriften. Vooral het verhaal 'Blonde Godin' van Jaap Scholten (met als ondertitel 'John Fante, ik hou van je') is mooi. In de van zijn roman Tachtig bekende stijl, waarin hij de meest absurde voorvallen en gebeurtenissen moeiteloos aan elkaar rijgt (een poepsmeerder, het werk aan de perforator, zijn vriendin, columnist A.L. Snijders en Thomas Rap) beschrijft Scholten de begindagen van zijn schrijversschap, die zich afspelen terwijl hij op de huisdrukkerij van Schiphol werkzaam is.

Ook 'Die eeuwige zalm' van Adriaan Jaeggi, over een gezin dat zich van begrafenis naar begrafenis sleept, is prettig absurd: 'Als we niet zo belachelijk veel familieleden hadden, zouden er niet zo veel begrafenissen zijn waar we naartoe moesten'. Maar voorlopig zijn daarmee de beste bijdragen aan Bunker Hill genoemd. De poëzie, van onder anderen Erik Lindner, Erik Coenen en Jan Baeke kon me minder bekoren en wat ik echt miste was enige vorm van essayistiek - niet alleen goed voor wat verdieping maar ook voor de afwisseling zou dat zeer welkom zijn. Een symphatiek tijdschrift, dit Bunker Hill, maar zijn bestaansrecht op termijn moet het nog bewijzen.