Hoeveel doden kost het vredesproces nog?

Wanhoop en frustratie. Daarmee worden al tientallen jaren terroristische acties in het Midden-Oosten verklaard, soms zelfs goedgepraat. Het gebeurde opnieuw de afgelopen dagen na de dubbele aanslag in Jeruzalem.

Volgens bijna alle Arabische leiders, ook van die staten die vrede met Israel hebben gesloten, was het bloedbad het directe gevolg van de impasse in het Palestijns-Israelische vredesproces. Een deel van de Israelische oppositie deelt die mening, evenals vele Westerse media. Zo kwam de Britse krant The Independent met de kop 'Carnage born out of Israel's policy of rejection'.

Was het maar zo eenvoudig. Dan zou - omgekeerd - elke vooruitgang op politiek gebied gepaard moeten gaan met een teruggang van terroristische acties. Maar zowel in het Israelisch-Arabische conflict, als in de Algerijnse burgeroorlog blijkt heel vaak precies het omgekeerde het geval te zijn. Op het moment waarop er iets meer zicht op overeenstemming tussen de strijdende partijen lijkt te zijn, besluiten de vijanden van die overeenstemming tot meer tegenactie. Volgens het gangbare jargon heet dat 'het opvoeren van de gewapende strijd', in gewone taal het plegen van meer terroristische acties.

Terrorisme is één van de goedkoopste en gemakkelijkste vormen van oorlog. Het is willekeurig en gericht tegen burgers, die welbewust vermoord of verminkt worden. Daardoor worden ook mensen die er niet direct door getroffen worden op stang gejaagd. Zij eisen maatregelen opdat hun veiligheid wordt gegarandeerd.

De uitvoerders van terroristische acties - of ze nu, zoals aan het begin van deze eeuw anarchisten waren, of in later jaren strijders voor een nationale, dan wel religieuze zaak - worden niet zozeer door wanhoop gedreven, als wel door haat, wraakgevoelens en vastberadenheid om hun gelijk te halen. Dat geldt eens te meer voor de groepen en/of staten die deze acties laten uitvoeren. Ook zij handelen niet uit wanhoop, maar op grond van rationele overwegingen. Want zij calculeren dat hun terreurdaden zoveel angst en paniek onder de burgerij veroorzaken, dat de overheid die zij bestrijden acties onderneemt die deze eigenlijk niet van plan was, maar toch doet om de burgers weer rustig te krijgen.

Het doel van terroristische aanslagen is de vijand te destabiliseren en het politieke klimaat (nog verder) te verslechteren. Binnen de kortste keren regent het beschuldigingen en tegenbeschuldigingen. Daarom komen de Palestijnse terroristen de afgelopen jaren vooral in actie op het moment dat er onderhandelingen worden gevoerd - zoals vorig jaar februari en maart - met de bedoeling die onderhandelingen af te breken. Om precies dezelfde reden schoot een paar jaar geleden de joodse arts Baruch Goldstein in een moskee in Hebron 29 biddende Palestijnen dood. De terroristen aan beide kanten worden eveneens actief om - zoals vorige week - mogelijke onderhandelingen in de kiem te smoren.

De druk bezochte markten in Jeruzalem waren al vanaf het begin van de jaren '70 prachtige doelwitten voor moordaanslagen. Toen werden die gepleegd door de strijders van Al Fatah, de beweging van Yasser Arafat. Nadat Arafat zich in 1988 tegenover de VS publiekelijk had verplicht 'terrorisme af te zweren' en in 1993 bij het Oslo-akkoord Israel had beloofd 'terrorisme te bestrijden', werd aan Palestijnse zijde de gewapende strijd voortgezet door radicale groepen van Arabisch-nationalistische of islamitische signatuur, die de door Arafat gemaakte afspraken zo veel mogelijk proberen te saboteren.

De zelfmoordaanslagen op de Machaneh Yehuda, de belangrijkste groente- en fruitmarkt in West-Jeruzalem, waar de kleine en onvermogende luiden hun inkopen doen, werden dan ook niet gepleegd omdat de radicaal-islamitische beweging Hamas zich beledigd zou hebben gevoeld over de karikatuur van de profeet Mohamed die een aanhangster van de racistische partij Kach in Hebron had verspreid. Hamas verwacht niet anders dan zo'n provocatie van “de kinderen van apen en zwijnen”, die volgens het handvest van Hamas toch al gedood dienen te worden.

Evenmin wilde Hamas (voor de eerste maal in haar bestaan) de gekrenkte gevoelens van christenen wreken, nadat een Israelisch maandblad een artikel over klonen had geïllustreerd met een plaatje van de maagd Maria met een koeienkop. En een nieuwe, door iedereen verwachte aanslag komt niet omdat de Israelische regering een door Hamas gesteld ultimatum over de vrijlating van Palestijnse gevangenen naast zich neer heeft gelegd.

Al die zogenaamde 'redenen' dienen slechts om de buitenwereld zand in de ogen te strooien.

Feitelijk kwam er vorige week, vlak voor de aanslagen, juist weer een glimpje hoop dat het vredesproces door de Amerikaanse bemiddelaar Dennis Ross zou worden losgetrokken. Het door Yasser Arafat in Hebron geïnstigeerde en gecontroleerde geweld van de afgelopen weken was na discrete Amerikaanse pressie beëindigd. En de regering-Clinton maakte zich op om premier Netanyahu onder iets meer druk te zetten de gehate settlement-politiek op zijn minst te bevriezen.

Het Israelisch-Arabische vredesproces, dat de afgelopen jaren met veel mooie woorden en indrukwekkende ceremonies werd begeleid, is in feite iets heel prozaïsch: de scheiding van twee samenwonende partners die elkaar niet kunnen uitstaan, maar tot de conclusie zijn gekomen dat ze elkaar niet kunnen vernietigen, en dus hun huis en boedel moeten verdelen. Die conclusie is niet het gevolg van edele motieven, maar geboren uit eigenbelang. De meerderheid van zowel Israeliërs als Palestijnen is doodmoe van de maar niet aflatende oorlog, die zij nu al zo lang met elkaar voeren.

Beide partijen willen uiteraard zoveel mogelijk krijgen van en zo min mogelijk geven aan de ander. Ze gebruiken alle gangbare methoden in een scheidingsprocedure om hun wil door te drukken. Ze zijn het alleen over één ding eens: dat ze van elkaar af moeten. Maar ze weten ook dat zij beiden in hetzelfde pand zullen moeten blijven wonen.

De overheden van zowel Israel als Palestina hebben hun bevolkingen echter nog steeds niet duidelijk gemaakt dat er bij zo'n scheiding onherroepelijk pijnlijke concessies moeten worden gedaan. Zij houden vast aan de irreële illusie dat zij tegen minimale kosten een groot deel van de boedel kunnen binnenhalen. Zij praten weliswaar over scheiding, maar zij verzwijgen dat zij beiden tot samenwerking gedwongen zijn om in hetzelfde buitengewoon kleine huis te kunnen blijven wonen.

De altijd gestelde vraag: Is het vredesproces dood? is dus onzin. Het kan niet dood, omdat beide partijen ervan overtuigd zijn geraakt dat ze de ander in de afzienbare toekomst niet kunnen liquideren, en dus alleen van elkaar kunnen scheiden.

De vraag moet dus luiden: Hoeveel schade en hoeveel doden zullen de partijen elkaar nog toebrengen tijdens die scheiding, oftewel dat vredesproces? En hoe zwaar gewond zullen ze uiteindelijk achterblijven?