Een groot musicus en een groot ego; Fela Kuti 1938-1997

De zaterdag aan de gevolgen van aids overleden Nigeriaanse zanger, componist, bandleider, saxofonist, trompettist en toetsenspeler Fela Kuti deed meer dan muziek maken. Hij was politiek dissident, presidentskandidaat, selfmade filosoof, goeroe en communeleider, en hield van uitbundig trouwen en scheiden.

Voor de Nigeriaanse elite was hij een enfant terrible: de herkenningsmelodie van Nigeria's illegale radiostation tegen de militiare dictatuur is een nummer van Kuti en de 'area-boys', de werkloze en semicriminele straatjongens van Lagos scandereren zijn teksten wanneer zij de confrontatie aangaan met de politie.

Fela Kuti werd geboren in het ten noorden van Lagos gelegen Abeokuta als telg van een voorname Yoruba-familie. Zijn vader, die dominee was, speelde piano, zijn moeder was politiek actief in de onafhankelijkheidsbeweging. Eind jaren vijftig vertrok Kuti naar Londen, officieel om zich tot arts te laten bekwamen. In werkelijkheid studeerde hij echter muziektheorie en trompet en richtte in Londen zijn eerste band op, Koola Labitos, samen met landgenoot J.K. Braimah. In de jaren zestig keerde hij terug naar het inmiddels onafhankelijk geworden Nigeria en raakte hij in de ban van soul-zanger Alfredo Pino, die op zijn beurt goed naar James Brown had geluisterd. Na een lang verblijf in Amerika keerde hij in '69 terug met een wat teksten betreft sterk gepolitiseerde versie van wat hij 'afro-beat' was gaan noemen. Zijn uiterst kritische in 'pidgin'-Engels gezongen nummers schieten de top van het inmiddels dictatoriaal geregeerde Nigeria regelmatig in het verkeerde keelgat. Kuti zingt echter dapper door, hekelt de 'Colonial Mentality' van de elite en verandert zijn tweede voornaam 'Ransome', die hij als een slavennaam beschouwt, door het meer Afrikaanse 'Anikulapo' (de dood bedwingend).

De populariteit van Kuti lijkt bijna niet te stuiten - in drie jaar maakt hij zeventien lp's - maar in '77 wordt zijn 'Kalakuta Republiek' door duizend soldaten omsingeld. De huizen worden in brand gestoken, zijn vrouwen verkracht, zijn 82-jarige moeder uit het raam gegooid en Kuti zelf gemolesteerd. Hij vestigt zich voor een jaar in Ghana maar is ook daar niet welkom en een jaar later is hij terug in Nigeria waar hij als eerbetoon aan zijn dappere vrouwen in één ceremonie met elk van hen trouwt, 27 in totaal.

Een brave huisvader wordt hij echter niet en hij vervolgt de confrontatie met de elite. 'Zombie' gaat over de mentaliteit van de militairen, 'Coffin for Head of State' over de begrafenis van zijn moeder en 'ITT' (International Thief Thief) over de multinational die ook zijn vroegere platenmaatschappij Decca beheerst. Voor degenen in de marge van Nigeriaanse samenleving groeit hij uit tot de Afrikaanse Bob Marley.

Zijn stevige, goed gearrangeerde afro-soulfunk-muziek begint ook in het Westen aan te slaan en kort na de lp Authority Stealing treedt hij onder andere in het Amsterdamse Bos op. In '84 wordt zijn carrière opnieuw in de war geschopt doordat hij voor een duidelijk opgeblazen smokkel-affaire wordt veroordeeld tot zes jaar gevangenisstraf. Dankzij protesten van onder andere Amnesty International komt hij echter eerder vrij en eind november '86 is hij met een gevolg van ongeveer vijftig mensen opnieuw in Nederland. In een akelig volgeperst Parkzicht in Rotterdam speelt hij in drie uur vier stukken, waaronder 'Teacher don't teach me no Nonsense', de titelsong van de lp die het jaar daarna zou verschijnen. De kracht van Kuti leek toen al aan het afnemen, maar hij maakte desondanks nog een aantal platen en stond met zijn Egypt 90 orkest zelfs nog geboekt voor het North Sea Jazz Festival van vorige maand. Dat zijn optreden pas op de dag zelf afgezegd werd en zijn naam zelfs op 'Up-to-date-Concertplan' nog staat afgedrukt doet vermoeden dat de doodzieke Kuti tot op het laatste moment moet hebben overwogen wel op te treden. Het af laten weten, dat was ook niets voor Fela, Anikulapo alias Ransome, Kuti bij wie alles groot was: zijn band, zijn oeuvre, zijn huishouding, zijn ego, zijn fantasie en niet in de laatste plaats zijn moed en mond. Zijn muziek wordt goed voortgezet door zijn zoon Femi, maar in de andere opzichten zal hij erg gemist worden, niet in de laatste plaats in Nigeria. Kuti zong niet traditoneel de lof van god, volk en staat en was daardoor de eerste moderne Afrikaanse troubadour. Ook voor het feit dat hij in '86 weer van al zijn vrouwen scheidde, het waren er inmiddels 28, had hij een revolutionaire verklaring: 'no man has the right to own a woman's vagina.'