Een goeie jood

Dit gaat niet over een tierende taxichauffeur en ook niet over een zatladder tegen sluitingstijd. Dit was na twee kopjes koffie en het kwam van een doodgewone meneer. Met een middenklasse auto en een huis met een tuin. Een meneer die voor zijn werk altijd veel gereisd heeft en die nu 'aan het afbouwen' is naar de vut. Een meneer met kinderen en een surfplank in de garage.

Er was ook geen aanleiding voor. Het gesprek ging over een oude auto en hoe je die zou kunnen opknappen. “Nog een kop koffie?” En toen gleed vanzelf de naald in een duidelijk uitgesleten groef, want toen hij daar eenmaal zat, wilde-die er niet meer uit. Wij zijn hier veel te aardig voor de moslims. Daar kwam het op neer. “Ze hollen ons land uit en als de boel instort, dan nemen zij het over.”

Hij had geen reactie nodig om verder uit te wijden. Dat ze hier niet werken, maar hun hand ophouden, dat ze in drugs doen en in hoeren en dat je in bepaalde straten al niet meer komen kan. En hij had merkwaardig exacte getallen paraat om te bewijzen dat ze de boel in de grote stad al hadden overgenomen. Vraag niet hoe-die eraan komt, maar dit zijn volgens hem de statistieken van Amsterdam: “361.000 mensen daar zijn buitenlanders, dat is meer dan de helft, en van de kinderen 92 procent.” En zeg nou niet dat hij lid was van de CD, van CP'86, of dat hij met pamfletten rondgaat om anderen deelgenoot te maken van zijn vrees. Hij weet zeker dat anderen die vrees al lang delen.

Amsterdam is de hoofdstad van de tolerantie. De vorige burgemeester waakte erover als was het een kind van hem en zijn opvolger doet bij elke oorlogsherdenking zijn best om net zo bevlogen te klinken. Als er een oorlogsmonument beschadigd is, of de ruit van een Turkse slager wordt ingekegeld, dan komen er meteen mensen met bloemen langs. Amsterdam, de overheid voorop, duldt geen intolerantie.

Amsterdam is gelukkig met een nationale testcase voor zijn tolerantie. Er is een Turkse illegaal-met-geworteld-gezin die niet uitgezet zou moeten worden. Alle politieke partijen in Amsterdam vinden dat en ze lijken hun collega's in Den Haag te hebben overtuigd. De stem van Jessica Silversmith, directeur van het Meldpunt Discriminatie Amsterdam, wordt zoetzuur als ze het heeft over de algemene, innige liefde die deze ene familie wordt betoond. “Voor de oorlog kende iedereen wel een 'goeie jood', nu hebben we hier een 'goeie moslim'.”

Haar meldpunt bestond vrijdag één jaar. Geen feest, maar 610 meldingen. Dat lijkt weinig, maar het zijn vooral institutionele klachten die ze krijgt: bij sollicitaties, op school of op het werk. Buiten kantoor merkt ze pas hoe alledaags de afkeer van vreemdelingen is. “Het gemak waarmee een gesprek in de tram van het weer overgaat op 'die buitenlanders'.”

Ze haalt hoofdcommissaris Nordholt van politie aan. Die stond, zegt ze, in mei bij de presentatie van het jaarverslag over 1996 stil bij de grote uitstroom van agenten. Vooral allochtone agenten, volgens de politiebaas. En tegenover de lokale TV had hij erbij gezegd: “Die doen wel eens dingen voor familieleden die bij ons niet in het woordenboek voorkomen.”

PvdA'er Jacques Wallage liet vorige week weten dat de Turkse familie moet blijven. Niet omdat die hier al zo lang woont of omdat de kinderen Turkije alleen van de vakantie kennen. Nee, omdat de vader “fatsoenlijk de kost verdient”. Hoeveel politieke partijen hadden het opgenomen voor een Turkse illegaal die inmiddels in de ziektewet was beland? Of voor iemand wiens zoon geen voorbeeld-voetballer is, maar gisteren met goudverf bestreken had staan dansen op een boot bij de Gay Pride? “Vroeger had je alleen Chinezen”, had de auto-opknapper gezegd. “Maar die zag je niet hè, daar had je geen last van.”