Een bevlogen low-budget kampioen

Het grootste autosportevenement van Nederland, de Marlboro Masters in Zandvoort voor Formule 3-auto's, kende gisteren een intermezzo met Arie Luyendijk. De Nederlander in Amerikaanse dienst verzorgde voor 70.000 toeschouwers een luidruchtige demonstratie in de auto waarmee hij onlangs zijn tweede Indy 500 won.

Om de ringvinger van zijn linkerhand draagt Arie Luyendijk een zegelring die zijn passie voor de autosport verraadt. Het gouden sieraad bevat de afbeelding van een zwart-wit geblokte vlag; een cadeautje van een sponsor na Luyendijks eerste overwinning in Amerika's belangrijkste autorace, de Indy 500. In 1990 was hij de eerste Nederlander die de 800 kilometer lange uitputtingslag met snelheden tot 400 kilometer per uur op de ovaalvormige baan van Indianapolis won.

Een andere, wat protsiger ovale ring waarmee de winnaar van de Indy 500 wordt beloond, bewaart de 43-jarige Luyendijk thuis in Scottsdale, Arizona. “Binnenkort krijg ik er nog zo één”, zegt hij achterin een camper tussen twee handtekeningensessies door. Luyendijk won in mei namelijk ook de laatste editie van de 500 mijl van Indianapolis. Door wat ingraveerwerk wordt deze ring nagestuurd.

Terwijl hij de bromfietshelm van een meisje signeert, beschrijft Luyendijk de gekte die hem ten deel viel nadat hij voor de tweede keer in zijn carrière als eerste op de baan van Indianapolis werd afgevlagd. “Beide keren was het na afloop van de race een heksenketel. Interviews, fotosessies, fans die nog blijven rondhangen. De race was om ongeveer kwart over drie afgelopen en pas om half zes kon ik eindelijk eens gaan zitten. En dan sta je nog een week in het middelpunt van de belangstelling. Voor de race was het dit jaar ook al drukker dan normaal. Twee dagen achtereen werd de race wegens hevige regenval uitgesteld, dus waren er ook veel interviews vooraf. Moest ik steeds zeggen hoe ik het vond dat de race uitgesteld was. Van die dingen. Vermoeiend, dat wel, maar ik was klaar voor de race. Ik had me helemaal opgepept, de wagen was goed, ik had er een goed gevoel over.”

Arie Luyendijk, die nu dertien jaar in de Verenigde Staten woont en rijdt, heeft een vaste schare supporters. “Hoewel ik geen Amerikaanse coureur ben, ben ik er toch best wel populair.” Maar een supportersvereniging, zoals bijvoorbeeld Jos Verstappen die kent (met 10.000 leden, red.), houdt de Indy-coureur er niet op na. “Ik vind dat niet belangrijk. Zo'n fanclub brengt ook een hoop werk met zich mee. Ik heb ook geen zin om mensen in te huren om een fanclub te runnen.” Aan het atletische lijf van Arie Luyendijk geen polonaise.

Luyendijk, geboren in het Zuid-Hollandse Sommelsdijk, spreekt zonder Amerikaanse tongval. Af en toe glippen er wel een paar Engelse woorden door zijn antwoorden, bijvoorbeeld wanneer hij om a cup of cola vraagt of wanneer hij vertelt dat hij een Nederlandse sponsor heeft: “JKF, een fragrance voor hem en voor haar.” Luyendijk promoot een geurlijn die de naam draagt van een Amerikaanse president. Nederlandse sponsors zijn moeilijk aan te trekken, maar dat geldt evenzeer voor Amerikaanse bedrijven. “Sponsors in de VS laten hun product daar liever promoten door een Amerikaanse coureur.”

Ze staan niet in de rij om zich aan de tweevoudige winnaar van de Indy 500 te liëren, maakt Luyendijk duidelijk. Dat maakt ook de financiële speelruimte voor zijn ongeveer twintig mensen tellende team beperkt. Treadway Racing, gevestigd te Indianapolis, moet rondkomen van een budget van 3,5 miljoen dollar, circa zeven miljoen gulden. Luyendijk: “Als je alles goed wil doen en bijvoorbeeld ook je auto in de windtunnel wilt testen, heb je op jaarbasis ten minste vijf miljoen dollar nodig. Dan kun je het net goed doen. Normaal gesproken beschikken twee rijders in een team over twee reserve-auto's, maar Scott Goodyear en ik moeten er met z'n tweeën één delen. Je kan dus wel stellen dat wij low-budget de Indy 500 hebben gewonnen.” Treadway Racing maakte dit jaar in Indianapolis een dubbelslag: Luyendijks stalgenoot Goodyear eindigde als tweede.

Het verhaal dat Luyendijk de reservewagen waarmee hij naar Zandvoort zou komen, ,in puin” zou hebben gereden, nuanceert hij. “Als een auto zodanig in elkaar zit dat hij niet meer te repareren is, dan heb je zelf meestal ook wel iets.” In Zandvoort zit hij er ongeschonden bij. Voor ernstige ongevallen met grote gevolgen is Luyendijk gespaard gebleven. “Ik heb een ongeluk gehad in 1988, met verwondingen aan hielen en enkels. Maar verder heb ik best wel veel geluk gehad.”

Hoewel de schade gerepareerd kon worden, bleef Luyendijks reserve-auto achter in de VS en kwam hij met zijn winnende Indycar, een vier-liter V8 Oldsmobile, naar het circuit van Zandvoort. Aan het einde van dit jaar krijgt zijn rood-wit-blauwe bolide, die uiterlijk veel weg heeft van een Formule I-auto, een plaatsje in het museum bij de racebaan in Indianapolis. “De reservewagen uit 1990 staat daar al, als de winnende wagen.” Luyendijk glimlacht. “Maar de wagen waarmee ik toen won, staat bij mij thuis in de garage. Dit keer krijgen ze de echte.”

Dertien jaar geleden kwam Luyendijk in aanraking met Indy. In Amerika reed hij destijds in de Super Vee-klasse, vergelijkbaar met de Formule 3, op de oval in Phoenix. Daar kwam hij Aat en Erik Groeneveld tegen, twee Nederlanders met een bedrijf in de VS. Zij openden voor hem de poorten van Indycar, in de VS nog populairder dan de Formule I. In 1985, zijn eerste volledige IndyCar-seizoen, eindigde Luyendijk als zevende en verwierf hij de eretitel van de beste nieuwkomer, Rookie of the Year. Arie Luyendijk had zijn visitekaartje afgegeven. “Zo zie je maar hoe belangrijk het in de autosport is om de juiste mensen tegen te komen”, zegt hij met een verwijzing naar de gebroeders Groeneveld.

Ondanks de beroemdheid die Luyendijk nu in de VS is, heeft hij over privacy niet te klagen. “Als ik in Phoenix ga eten, is het niet zo dat ik voortdurend wordt herkend. In Indianapolis is dat wel het geval.” Zijn woonplaats Scottsdale, een voorstad van Phoenix, eert hem jaarlijks met een Arie Luyendijk Day.

Phoenix is de stad waar Luyendijk Ayrton Senna ontmoette, de Braziliaanse Formule I-coureur die in 1994 op het circuit van Imola om het leven kwam. Senna deed de hoofdstad van Arizona destijds aan om een Indycar te testen. “Een aardige man”, zegt Luyendijk over die ene ontmoeting eind 1992. Nadat Senna later hoorde dat de Nederlander racehelmen verzamelt, stuurde hij een exemplaar naar Scottsdale, de helm die hij in het seizoen 1993 droeg. “Die ligt nu thuis bij me in de kluis. Daar stop ik alle waardevolle dingen in als ik wegga, zoals trofeeën die onvervangbaar zijn.”

Nog één seizoen rijdt Luyendijk IndyCar en dan zegt hij de autosport als coureur vaarwel. De beslissing om straks te stoppen is vergemakkelijkt door zijn laatste overwinning in Indianapolis. “Het is altijd mijn doel geweest om hem twee keer te winnen en dat heb ik nu gedaan. Dan moet je geen nieuwe doelen stellen. Het is mooi geweest.” Misschien treedt zijn 15-jarige zoon, Arie junior, in Luyendijks voetsporen. “Momenteel rijdt hij go-kart, maar je kan pas zien of hij talent heeft als hij in een auto rijdt, straks in de Formule Ford. Als hij geen talent heeft, is het gauw afgelopen.”

Voor Jos Verstappen, de Nederlandse Formule I-coureur die bij Tyrrell niet bepaald gezegend is met een snelle auto, is het volgens Luyendijk de moeite waard om zijn geluk te beproeven in de Indycar. “Hij rijdt nu in een pakhuis.” Een pakhuis? “Ja, een auto die niet rijdt. Ach, hij doet het beste met wat hij heeft. Natuurlijk moet hij in de Formule I blijven zolang het kan, maar ik denk dat er voor hem wel een toekomst ligt in Amerika.”