Veel theologen, weinig vrouwen; Hoger onderwijs van 1815 tot 1940 in kaart gebracht

'Marktwerking' bestond ook in de 19de eeuw en had ook toen grote invloed op het reilen en zeilen van de universiteit. Het staat allemaal te lezen in het boek 'Veranderingen in het hoger onderwijs in Nederland tussen 1815 en 1940'.

G. Jensma en H. de Vries: 'Veranderingen in het hoger onderwijs in Nederland tussen 1815 en 1940', Uitgeverij Verloren, Hilversum, 1997.

WAT IS EEN universiteit? De discussies van de laatste jaren hebben een tweeledig beeld opgeroepen. De invloed van de marktwerking, met al of niet desastreuze gevolgen, zet men dan af tegen de belangeloze academische tradities van studie, exploratie en bezinning van weleer. Welnu, die 'marktwerking' bestond ook in de 19de eeuw en had ook toen grote invloed op het reilen en zeilen van de universiteit, zo luidt een van de uitkomsten van het onderzoek van G. Jensma en H. de Vries naar de 'Veranderingen in het hoger onderwijs in Nederland tussen 1815 en 1940'. Niet alleen bestond er in de vorige eeuw een geheel door het bedrijfsleven gefinancierde Indologische faculteit (de 'petroleumfaculteit'), maar ook sloeg de marktwerking het meest genadeloos toe op de plek waar men dat het minst zou verwachten, namelijk bij de theologische faculteiten.

Het boek is op bijzondere wijze tot stand gekomen. Wegens het vroege overlijden van de oorspronkelijke auteur, de historicus H. de Vries, werd G. Jensma gevraagd het onderzoek af te ronden en het bronnenmateriaal verder te interpreteren. Door deze voorgeschiedenis heeft het boek, zoals Jensma ook in het voorwoord opmerkt 'twee zielen': een cijfermatige en een historisch-kritische. Soms vallen die twee 'zielen' samen en dat levert de meest interessante hoofdstukken op.

Wat was 'hoger onderwijs' tussen 1815 en 1940? In het boek is voor het criterium van het promotierecht gekozen. In de negentiende eeuw was dat niet vanzelfsprekend. De athenea, zoals die in Amsterdam en Franeker, bezaten dat 'jus promovendi' niet, maar hun studenten werden in de 'Verslagen Onderwijs' wel vaak meegeteld. Met de Wet op het Hoger Onderwijs van 1876 werden deze athenea 'gymnasia': hoger maar geen wetenschappelijk onderwijs. Pas in de twintigste eeuw werden de gymnasia tot het voortgezet onderwijs gerekend. De technische hogescholen en de Landbouwhogeschool rekenen de auteurs wel tot 'hoger onderwijs' vanwege hun promotierecht.

De auteurs bekeken het hoger onderwijs tot 1940 omdat volgens hen de 'lange 19de eeuw' tot aan de Tweede Wereldoorlog duurde. In het midden van de vorige eeuw is Nederland - gemeten aan de leerstoelen en studentenaantallen in het hoger onderwijs - nog ontegenzeggelijk een land van dominees. De theologiefaculteiten hebben de meeste hoogleraren en de meeste studenten. De juridische faculteit volgt op de voet. Er was kennelijk in de eerste plaats behoefte aan een hoger, wetenschappelijk opgeleid kader van predikanten en juristen. Pas na 1876, wanneer geleidelijk aan HBS-ers toegang krijgen tot bepaalde academische studies, groeien de faculteiten voor wis- en natuurkunde en medicijnen. Wel volgden deze studies en 'beroepsopleidingen' nog de beproefde recepten uit de academische traditie van brede vorming. Zo deden studenten hun propaedeuse in een andere faculteit.

Aan de 'beroepsopleiding' theologie wijden de auteurs een intrigerend hoofdstuk. Begrippen als 'marktwerking' en 'conjunctuur' zijn hier toegepast op de ontwikkelingen van de theologische faculteiten. Ze blijken wonderwel te passen en de statistische patronen te verklaren. Heel duidelijk trad de varkensscyclus op: de aspirant student/predikant liet zich leiden door marktvooruitzichten. Was er een overschot aan predikanten, dan werd de studie minder aantrekkelijk. Maar zo'n terugloop was natuurlijk niet een directe correctie. Er waren periodes dat de arbeidsmarkt van predikanten oververzadigd was. Dat leverde dan pijnlijke - maar voor ons amusante - taferelen op van selectie van predikanten.

VERLICHTING

Een ander hoofdstuk waarin het cijfermatige en het historisch-kritische aardig gecombineerd worden, is dat over 'Modernisering, statistiek, natie en conjunctuur'. In de 19de eeuw moderniseerde het denken over kennis. Vooral onder invloed van de Verlichting en door de expansie van de natuurwetenschappen kwam de 'zelfstandige waarneming van de werkelijkheid' als dynamisch kennisideaal te staan tegenover een oudere, statische autoriteiten-wetenschap. Wetenschap seculariseerde, en zag zichzelf bijdragen aan de maakbaarheid van de toekomst. De nieuwe waarnemingsmethodes werden ook op de universiteiten zelf toegepast. Steeds meer raakte men geïnteresseerd in een kwantificering van de processen van recrutering, deelname, verdeling over faculteiten en vakken, en diplomering.

De behoefte aan controle ging samen met de politieke ontwikkelingen. De opkomst van het liberalisme en de verbreiding van de kwantitatieve methode zijn niet toevallig gelijktijdige verschijnselen. In de burgermaatschappij wensten de liberalen openbaarheid van bestuur, ze wilden de publieke opinie mobiliseren als drijvende kracht in de staatskunde. Zij stortten zo'n vloedgolf aan cijfers uit over de 19de eeuw dat Multatuli droog constateerde: 'Cijfers ze behooren tot de 19de eeuw, evenals wijsgerige bespiegelingen tot de 18de eeuw'.

De cijfers over deelname en mobiliteit van studenten laten zien dat universiteiten en de toenmalige hogescholen steeds minder regionaal en steeds meer nationaal gingen functioneren. De Wet op het Hooger Onderwijs van 1876 voltooide de vorming van een nationaal onderwijssysteem - met rijksuniversiteiten - en in breder verband, de liberale herinrichting van de eenheidsstaat. Heel typerend is dat de studenten vanaf die tijd niet meer hun collegegeld betaalden aan de hoogleraren, maar aan de betaalmeester van de staat.

De onafhankelijkheid van de 'academie' tegenover het 'beleid' was ook in de vorige eeuw al een punt van zorg. Huizinga fulmineerde tegen de bemoeizuchtige staat, maar al eerder was duidelijk dat in tijden van bezuinigingen de overheid zich meer en meer met de inhoud ging bemoeien. Omgekeerd werd de overheid zelf steeds afhankelijker van wetenschappelijke adviezen, hetgeen zich in deze eeuw institutionaliseerde in de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid.

Expansie, staatsbemoeienis en moderniteitsgeloof hebben in de onderzochte periode pas vanaf ongeveer 1920 enige democratisering van de studenteninstroom teweeg gebracht. Deelname aan het universitaire leven bleef een zeer elitiare gelegenheid, waaraan in die periode slechts 3,5 procent van een generatie deelnam; nogal in tegenspraak dus met de universalistische Verlichtingsidealen. Voor vrouwen en mensen van 'lagere komaf' bleek de universiteit toch niet echt bedoeld.