TWEETALIGE HERSENEN

Bij het artikel van Liesbeth Koenen (W&O, 12 juli), waarin het over vroeg of laat een tweede taal leren gaat, wil het me nuttig voorkomen, voor alle daarvoor in aanmerking komende jonge ouders te melden dat mijn docent Schouten - van de destijds beroemde 'Verdenius en Schouten'-grammatica Duits - voor het front van de troep van alle studenten bij gelegenheid van de geboorte van mijn eerste in 1956 waarschuwde tegen de verleiding kinderen vanaf de wieg tweetalig te willen opvoeden.

Schouten memoreerde in dit verband het feit dat er (toen) een dissertatie was met de constatering volgens welke met name de omvang van de woordenschat op latere leeftijd 'over de beide talen verdeeld' in twee delen uiteen zou vallen, zodanig dat beide helften in een armetierige omvang resulteren.

Er is nog iets. Volgens de huidige stand van zaken zijn er weliswaar de twee SPRAAKcentra van Broca en Wernicke, maar er is nog een herseninstantie die bij taal betrokken is: in beide centra treffen de geleerden totaal niets aan dat naar grammatica van taal of talen verwijst. Volgens deze negatieve constatering moet er dus nog 'een derde centrum of iets dergelijks' zijn, misschien wel algeheel de samenstand van de netwerken all-in zogezegd. Vraagje aan Liesbeth Koenen - ook al een beroemde naam - wanneer het gaat over genoemde spraakcentra (wat mij iets anders toeschijnt dan 'taalcentra'): waar bevindt zich 'het gebied van de wiskunde'? Dat zou ingevolge Chomsky het derde gebied zijn, waarover meer duidelijkheid zou moeten bestaan, alvorens op de al te summiere feiten tot zover een verantwoorde conclusie te mogen bouwen. Mevrouw Koenen formuleert vervolgens wel al te tenderend globaal met (letterlijk) 'Broca' en 'Wernicke', maar het zijn toch echt geen taalcentra, vervolgens uitsluitend strikt (bio)medisch fysiek aan de orde.

Met name invasieve défrontalisatie als medische ingreep impliceert het veroorzaken van wijzigingen in het karakter van de persoon, al zou dat 'uiteraard' ook gevolgen kunnen hebben voor de algeheel samenstaande, cerebrale taalcontext. Inmiddels, met dezelfde stelligheid waarmede mevrouw Koenen aan het slot twee vragen heeft, alsof 'elke taal een gebiedje' zou bezitten: semantiek (en semasiologie) is van wiskundige oorsprong, betekent dit dat er werkelijk bijvoorbeeld ook een wiskundegebiedje zou bestaan? Het komt me té louter formeel logisch over: de werkelijkheid is een andere, een- of meertalig zijn is typisch mede exogeen, de baby die geen sprekende mensen om zich heen heeft, heeft zelfs niet 'ééntalige hersenen', maar wel de spraakcentra van B. en W.!

Een onzinbegrip dus ook uit andere hoofde: gebarentaal schijnt tegenwoordig ook een taal te zijn, er is 'bodylanguage' en er is een vaktaal, de taal van de liefde, stadhuistaal, streektaal, dieventaal, enz. Met andere woorden: hoeveel talen spreken mensen wel of niet vanuit 'het centrum van de emotie' of wat dat geestelijk-materieel ook moge zijn, respectievelijk hoe zien in dit verband concreet de hersenen van inwoners van bijvoorbeeld Kerkrade die ook ABN spreken er uit? Eerst wanneer we hier een significant verschil aantonen met randstedelijke zogenaamde 'eentalige' westerlingen, eerst dan is er methodisch breed voldoende relevantie voor de vragen van mevrouw Koenen, lijkt me.

    • D. Hulspas