Tribune

Vandaag beginnen in Athene de WK atletiek. Morgen staan de sprintfinales mannen en vrouwen op het programma. Is de 100 meter het koningsnummer van de atletiek?

Donovan Bailey, olympisch- en wereldkampioen: “Wat is dat voor een domme vraag? Natuurlijk is de 100 meter hét nummer in de atletiek. Mensen houden van spektakel en de sprint is als een explosie van tien seconden. Ik ben verslaafd aan snelheid. Ik rijd thuis in een sportwagen. Dat lijkt op het lopen van een 100 meter.”

Jos Hermens, oud-atleet en manager van veel toplopers: “Mijn hart ligt bij de wat langere afstanden. Als ik moet kiezen, is de 1.500 meter mijn koningsnummer. Daar zit alles in. Maar ik kan begrijpen dat men de 100 meter de mooiste afstand vindt. De mensen hebben geen tijd meer en zappen op televisie van het ene naar het andere net. En zo'n honderd meter duurt lekker kort. Ik vind wel dat het verschil in betaling tussen een sprinter en andere lopers te groot is. Zelfs al zouden ze per wedstrijd hetzelfde krijgen, dan liggen de verhoudingen nog scheef. Want een atleet als Haile Gebrselassie kan misschien maar vier, vijf wedstrijden per seizoen lopen. Een sprinter makkelijk een stuk of vijftien.”

Nelli Cooman, oud-wereldkampioene op de 60 meter: “Ik heb altijd een haat-liefde verhouding gehad met de sprint. De 100 meter is het mooiste nummer, omdat je een jaar lang keihard traint voor een explosie van negen seconden. De sprint is als een verliefdheid en slechts honderd meter scheiden je van de verlossing. Ik rende altijd in trance naar de finish. Het startschot heb ik echter altijd gehaat. Dat was worstelen met een steeds terugkerend dilemma. Ben ik goed weg, word ik teruggeschoten? Daarom kijk ik nooit meer naar atletiekwedstrijden. Ook niet nu ik in Athene ben. Het lijden van de atleten bezorgt mij pijn in mijn buik. Toen ik zelf nog actief was, keek ik pas naar de mannenfinale als het startschot was gevallen.”

Fanny Blankers-Koen, in 1948 olympisch kampioene op de 100 en 200 meter, de 80 meter horden en de 4x100 meter estafette: “Spreekt Nelli over een explosie? Ach, kletskoek. Die explosie was bij haar toch al na veertig meter voorbij? Cooman was beter op de indoorbanen. Hoewel de 100 meter ook mijn nummer was, kijk ik liever naar de wat langere afstanden. Die sprint is zo gauw voorbij! Zo had ik de 400 meter graag willen lopen, die was op mijn lijf geschreven. Dat onderdeel bestond in mijn tijd nog niet voor vrouwen. Tijdens de Spelen van 1948 in Londen liepen we slechts 80 meter horden. Dat was niks voor mij. Als ik de wind in mijn rug had, vloog ik bovenop die rotdingen. Ik had ook nog een slechte start, al heb ik wel gewonnen. Maar het was op zijn kontje hoor! Ach, wat praat ik nou, dat is al zo lang geleden. Ik zal de WK in Athene zeker volgen. Maar ik verheug me vooral op de 800 meter. Dat is tegenwoordig ook een sprintnummer.”

Joop Alberda, technisch adviseur NOC*NSF en oud-bondscoach Nederlands mannenvolleybalteam: “Wat is een koningsnummer? Gevoelsmatig noem je dan de 100 meter. In kort tijdsbestek en in een beperkte ruimte valt immers af te lezen wie de snelste ter wereld is. Nergens is de winnaar ook zo onvoorspelbaar als op de sprint. Op dat nummer kun je je tijdens die ene explosie nergens achter verschuilen, is er geen tijd voor excuses. Toch is voor mij de tienkamp hét koningsnummer, hoewel dat nummer voor het grote publiek niet zo tot de verbeelding spreekt omdat in de afzonderlijke disciplines meestal geen wereldrecords worden verbroken. Ik was vroeger zeer gecharmeerd van Daley Thompson. Uitblinken op alle onderdelen van de atletiek, dat is toch het summum van topsport.”

Marcel Dost, Nederlandse tienkamper bij WK: “Ik weet niet beter dan dat de tienkamp het koningsnummer van de atletiek is. Dat lijkt me ook logisch. Want een koning moet alles kunnen en niet alleen sprinten. In mijn tienkamp is de 100 meter wel mijn belangrijkste onderdeel. Mijn hele wedstrijd valt of staat bij die sprint. Ik vind het wel mooi om zo'n 100 meter met al die toppers te zien. Alleen het randgebeuren staat me niet aan. Het stinkt aan alle kanten. Zo wordt er beweerd dat niemand zonder doping onder de tien seconden kan lopen. Wat moet ik daar dan van denken?”