Sterfhuis of succes?

“Ik ben een aartsoptimist. Dit moet een vitaal en krachtig bedrijf worden, dat zich kan weren tegen internationale concurrentie”, zegt mr. M.A.P.C. van Loon, directielid van de Samenwerkende Elektriciteits-productiebedrijven (Sep). “Dit is een sterfhuis”, zeggen de ondernemingsraden van de vier regionale stroomproductiebedrijven EPON (Noord- en Oost-Nederland), UNA (Utrecht en Noord-Holland), EZH (Zuid-Holland) en EPZ (Zuid-Nederland).

Het gaat om de beoogde fusie van deze vier bedrijven per 31 maart volgend jaar, tot één landelijk Grootschalig Produktiebedrijf (GPB). De vier regionale bedrijven hebben samen een jaaromzet van 6 miljard gulden en een marktaandeel van 76 procent (inclusief het saldo import) op de Nederlandse markt, en 5.300 werknemers.

Het scherpe contrast tussen Van Loon en de ondernemingsraden heeft alles met die cijfers te maken. Want de regionale energie-distributiebedrijven, die de aandeelhouders worden van het toekomstige GPB, willen aan dat marktaandeel knabbelen om zelf een concurrerende rol bij de productie van stroom te kunnen spelen. Het marktaandeel van het GPB moet wat hun betreft omlaag naar 60 procent op z'n hoogst. Ten faveure van de kleinere, de-centrale stroomopwekking die de distributiebedrijven samen met industrieële ondernemingen in hun verzorgingsgebieden exploiteren. Daarbij gaat het om milieuvriendelijke, warmte/krachtcentrales (WKK) die zowel stoom voor de procesindustrie als stroom leveren en een hoog rendement halen.

Pijnlijk voor de ondernemingsraden is de sociale kant van het verhaal: in het fusieplan GPB worden binnen enkele jaren 1.500 van de 5.300 banen geschrapt. Een tweede sociaal probleem is de hoge gemiddelde leeftijd van het huidige medewerkersbestand: ruim boven de 40 jaar. Dat betekent dat slechts een beperkt deel van de overtollige werknemers omgeschoold kan worden voor nieuwe taken die het GPB wil aanvatten.Het GPB zoekt zijn kracht in het zijn van een low cost producent, maar moet daarvoor eerst fors bezuinigen, de overcapaciteit in het productievermogen wegwerken en reorganiseren. Bovendien moeten onrendabele investeringen door voorzieningen en een bijdrage van de overheid (gevraagd is maar liefst 2 miljard gulden) worden afgeschreven. Pas in 2003 zal weer geïnvesteerd worden in nieuwe centrales. Binnen Nederland ligt de gemiddelde kostprijs van de vier productiebedrijven volgens het nog vertrouwelijke businessplan voor het GPB 15 procent hoger dan de goedkoopste productie-alternatieven.

De Nederlandse elektriciteitstarieven, voor een groot deel bepaald door de huidige vier grote productiebedrijven, behoren weliswaar nog steeds tot de laagste in West-Europa. Maar de concurrentie uit het buitenland ligt op de loer. Frankrijk en België hebben met hun kernenergiepark een grote restcapaciteit die leidt tot goedkopere aanbiedingen dan de Nederlandse producenten kunnen leveren. In Duitsland zijn de prijzen aanzienlijk hoger, zegt het businessplan. Op termijn wordt gerekend op een exportcapaciteit van 600 tot 800 megawatt voor Duitsland. Daarnaast wil de nieuwe onderneming in buitenlandse projecten (Oost-Europa, het Midden-Oosten en het Verre Oosten) een portefeuille van 3000 MW opbouwen.

Troefkaart van het GPB voor de Nederlandse markt is de zogenoemde STEG-centrale (stoom en gas) die de goedkoopste stroom levert voor het 'basislastvermogen': de centrales die dag en nacht doordraaien.

Het businessplan wil ook een groeiend aandeel voor het GPB in de warmte/krachtcentrales. Dat wordt moeilijk omdat de distributiebedrijven al zo actief zijn op die markt. Deze bedrijven, de aandeelhouders, hebben het GPB nog op een andere manier in de greep. Ze gaan zelf brandstoffen inkopen en geven het GPB opdracht om daarmee stroom voor ze op te wekken. Een tweede, pijnlijke beperking voor de commerciële armslag van het GPB is de bepaling in de concept-overeenkomst tot oprichting van het nieuwe bedrijf dat het GPB tijdens een overgangsperiode geen stroom en warmte aan derden mag leveren tegen gunstiger condities dan aan zijn aandeelhouders (de distributiebedrijven). Ook mag het GPB binnen Nederland geen aardgas aan andere partijen verkopen dan aan zijn aandeelhouders.