Pisangachtigen

Waar ik het gelezen heb weet ik niet meer: de geschiedenis van een excentrieke Engelsman, eind vorige eeuw, die van kennissen uit India had gehoord dat de smaak van verse, aan de plant gerijpte bananen onvergelijkelijk veel delicater en fijner was dan die van de onrijp geplukte en kunstmatig gerijpte vruchten in de winkel.

Hij liet in zijn tuinen een speciale kas bouwen en de daarin gekweekte en natuurlijk gerijpte bananen werden hem voorgezet; hij proefde ervan en riep gedesillusioneerd: Onzin, ik heb me wat wijs laten maken, ze smaken precies als bananen uit de winkel.

Een aandoenlijk verhaal, maar er klopt iets niet; mogelijk dat in een kas in Engeland gekweekte bananen niet beter zijn dan die van de groenteboer. Maar dat geldt beslist niet voor aan de plant gerijpte pisang zoals ik als kind en bij latere bezoeken aan onze voormalige Gordel van Smaragd heb gegeten. Die zijn inderdaad, zonder de geringste twijfel, fijner en delicater van smaak dan de fabrieksbananen uit de winkel.

Het kan aan van alles hebben gelegen, de hoeveelheid licht, de temperatuur van de kas, de vruchtbaarheid van de grond, de chemische samenstelling van het water - maar naar alle waarschijnlijkheid vooral aan iets anders: de soort.

Daarvan zijn er onvoorstelbaar veel. In een Indonesisch boekje over deze wondervrucht: Pisang - budidaya, pengolahan, dan prospek pasar (Pisang - kweek, behandeling, marktmogelijkheden) door S. Satuhu & A. Supriyadi (Penebar Swadaya, Jakarta 1994) staat een lijst met 232 namen, en dat zijn alleen maar plaatselijke cultivars. Er moeten er duizenden bestaan en ik denk dat ze stuk voor stuk lekkerder zijn dan die kromme handvatten uit Zuid-Amerika die hier gangbaar zijn. Het feit dat je in Europa maar één soort kunt kopen is al onheilspellend, alsof er geen andere appels verkrijgbaar zouden zijn dan Golden Delicious - iets waar de fruithandel geloof ik ook naar streeft: dozijnen van de meest verrukkelijke appelsoorten zijn al sinds generaties niet meer in de handel, het zoveelste voorbeeld van het feit dat handel en consument tegengestelde belangen hebben: voor de consument is grote verscheidenheid aantrekkelijk, voor de commercie is het veel handiger als iedereen hetzelfde eenheidsproduct door de strot krijgt geduwd.

Je moet er niet aan denken dat dat ook het voorland van deze paradijsvrucht zou zijn - niet voor niets is de Latijnse naam van de pisang Musa x paradisiaca. Ik slaak diepe zuchten bij de herinnering aan de geraffineerde en onderling zo verschillende smaken van pisang soesoe (melkpisang), pisang mas (goudpisang), pisang manis (zoete pisang), pisang radja seré (welriekende koningspisang)... pisang badak, pisang kepok, pisang nangka, pisang tandoek en nog dozijnen andere, het wordt al gauw een zinloze opsomming voor iemand die zich er niets bij kan voorstellen.

Wat de alternatieven ook aantrekkelijk maakt, is het formaat - de Europese banaan is om zo te zeggen een soort Aad Nuis, groot en bland, maar sommige van de lekkerste pisangs zijn niet veel groter dan een ei; ze hebben ook een fijne schil, niet die dikke dekenverpakking maar een dun velletje, dat op een of andere manier zelf al belooft dat er iets delicaats en onvergelijkelijks wordt ontbloot. En dan is er de kleur - sommige wit als melk, sommige groenig, andere goudgeel als boter, en weer andere blozend of rossig - allemaal heel anders dan je je kunt voorstellen als je alleen maar met het Westerse standaardproduct bekend bent. Ik heb het nu over de kleur van het vruchtvlees; maar ook de buitenkant vertoont veel variatie. Sommige pisangsoorten zijn grasgroen ook als ze rijp zijn, een kleur die in Indonesië loemoet genoemd wordt.

Belangrijk ook zijn de woorden sisir en tandan. Een sisir (het woord betekent 'kam') is een waaier van 10-15 vruchten zoals je wel bij de groenteboer ziet; een tandan zie je hier nooit: dat is een grote tros bestaande uit 20, 30 sisirs boven elkaar - en soms zelfs veel meer, zoals op bijgaande opvallende foto van pisang seriboe, wat in hedendaags Hollands 'duizendbanaan' zou heten. Zo'n tros hangt naar beneden, maar er bestaat ook een soort erectie-variëteit, pisang tongkat langit uit de Molukken, met pisangs die fier naar de hemel (langit) wijzen.

Iets dat niemand hier schijnt te weten, is dat je pisangs in drieën kunt splitsen. Ook met die bleke Kenau-bananen uit de Hollandse groentewinkel kan het: schil het gevaarte en duw met één vinger in het putje dat zich aan de top van de vrucht bevindt. De drie segmenten komen dan netjes van elkaar los en lenen zich tot bijvoorbeeld het bakken van een veel authentieker en aantrekkelijker formaat pisang-goreng.

Musaceae wordt in de Flora voor de scholen in Indonesië door C.G.G.J. van Steenis (Noordhoff-Kolff, Batavia 1949) nog vertaald als 'pisangachtigen'; dat, en niet 'banaanachtigen', was toen nog het gewone woord. De plant wordt beschreven als een 'uitstoelend kruid met wortelstok'. “Uit bladscheden bestaande schijnstam; bladeren twee-rijig of in spiralen, vinnervig, bloeiwijzen veelbloemig. Afzonderlijke bloemen 2- of 1-slachtig, soms onzijdig. Vrouwelijke bloemen onderaan, mannelijke (indien aanwezig) bovenaan. Bes of doosvrucht, vaak zonder zaden. Voortgeplant langs vegetatieve weg; uit zaad krijgt men wilde vormen (uitroepteken). Bloeit na 7-9 maanden, boven 1.000 m. twee keer zo lang.” De min of meer winterharde vormen die je hier in Europa kunt krijgen (10 soorten in het grote standaardwerk van Sarah Hart, de Plantenvinder, Terra 1997) bloeien bij mijn weten helemaal nooit.

Van de 'schijnstam' maakten we in het kamp verband, ik weet nog hoe het rook, voelde en klonk, met rond allebei mijn schenen van die verbanden van pisangstam die tegen elkaar schuurden, en hoe ze telkens afzakten.

Alles aan de pisang is bruikbaar, behalve het geschreeuw. Wat je bijvoorbeeld ook kunt eten (in de sajoer) is de bloem, die de vorm heeft van een priktol en in Indonesië dan ook djantoeng (hart) wordt genoemd ('Schutbladen donkerrood, berijpt, afvallend'). Ook moeilijk voorstelbaar voor wie nooit in Indië is geweest is het nut van pisangblad, als pajong en vooral als verpakking. Je kunt nu in Nederland zowaar diepvriespisangblad krijgen, minder geurig dan vers, maar onmiskenbaar genoeg (bijvoorbeeld als je er kleefrijst in verpakt) om vlagen op te roepen van het meest troosteloze en wanhopige heimwee.