Mandela zweeg in 1990 nog over Oost-Timor; Mandela lang vol lof over vriend Soeharto

De Zuidafrikaanse president Nelson Mandela heeft deze week in een opzienbarende demarche Indonesië opgeroepen de gevangen leider van het Oosttimorese verzet vrij te laten. Welke motieven speelden er?

JOHANNESBURG, 2 AUG. Nelson Mandela was zeven maanden op vrije voeten toen hij in oktober 1990 voor het eerst van zijn leven Indonesië aandeed. Na 27 jaar als staatsvijand nummer 1 in de kerkers van de apartheid te hebben doorgebracht, fêteerde de hele wereld hem als de held van de mensenrechten. Zo ook in Indonesië, waar president Soeharto de meest vooraanstaande ex-politieke gevangene ter wereld aan alle kanten in de watten legde.

Soeharto veroordeelde in scherpe bewoordingen het op dat moment nog vigerende apartheidssysteem, speldde zijn illustere gast een hoge onderscheiding op de borst (de Ster van de Republiek) en stopte hem en passant een envelopje toe, inhoudende tien miljoen dollar, voor de kas van Mandela's Afrikaans Nationaal Congres. Mandela van zijn kant was vol lof over zijn 'vriend Soeharto'; geen onvertogen woord kwam er over zijn lippen, geen verwijzingen naar Oost-Timor, geen vragen over de mensenrechten in Indonesië.

Hoewel Mandela door zijn langdurige gevangenschap veel internationale politieke ontwikkelingen mistte, mag men aannemen dat Mandela op het moment van zijn bezoek in 1990 op de hoogte was van de twijfelachtige staat van dienst van Soeharto op het gebied van de mensenrechten en van het gewelddadige optreden door Indonesië in Oost-Timor. Was het beleefdheid, onervarenheid of misschien de leuke som geld die leidde tot zijn zwijgzaamheid?

In kringen van anti-apartheidsactivisten was het optreden van Mandela in Jakarta in elk geval een enorme afknapper. “Dat Mandela met geen woord repte over de politieke gevangenen, over executies, de politieke terreur tegen de bevolking van West-Papua en de bezetting van Oost-Timor heeft ons met stomheid geslagen” zo kon men lezen in de Nederlandse Anti-Apartheidskrant. Begin 1994 stortte Soeharto nogmaals zes miljoen in de verkiezingskas van het ANC. In september 1994, vier maanden nadat het ANC de verkiezingen had gewonnen, bezocht Mandela, nu president, voor de tweede maal Jakarta. Ditmaal roerde hij wel de situatie van de mensenrechten in Indonesië in het algemeen en die in Oost-Timor in het bijzonder aan, maar op een zo milde wijze dat dit voor de regering Soeharto geen probleem opleverde.

Voor Indonesië en zijn president moet het twee weken geleden daarom als een zeer onaangename verrassing zijn gekomen dat Nelson Mandela bij zijn derde bezoek aan de archipel uit een ander vaatje tapte. Hij vroeg een onderhoud aan met José Alejandro Gusmão (Xanana), de leider van de Oosttimorese verzetsbeweging FRETILIN, die in Jakarta gevangen zit. Uiteraard kon Soeharto dat aan een man als Mandela niet weigeren; hij liet Gusmão zelfs uit zijn cel halen om hem exclusief met Mandela te laten dineren.

Het leek nog tamelijk onschuldig: Mandela pleitte slechts voor een dialoog over Oost-Timor - sinds 1975 door Indonesië bezet, in 1976 geannexeerd, maar niet als zodanig erkend door de Verenigde Naties - en daarmee leek voor Indonesië de kous af. Tot deze week bleek dat Mandela na terugkeer in Pretoria per brief bij Soeharto ook de vrijlating van Gusmão heeft bepleit. Mandela liet in een mondelinge toelichting op het verzoek aan de buitenwereld duidelijk zijn sympathie doorklinken voor Gusmão: de ex-gevangene van het Robben Eiland zag zichzelf terug in de Oosttimorese gevangene.

Voor de Indonesische regering betekende dit een uiterst pijnlijke situatie, die nog wacht op een oplossing. Aan een dialoog valt nog wel een mouw te passen, maar op het verzoek tot vrijlating van een guerrillaleider kan slechts met ja of nee worden geantwoord. En nee moet het zijn, Jakarta heeft nooit een greintje respect kunnen opbrengen voor het Oosttimorese onafhankelijkheidsstreven en ziet in Gusmão een gewone misdadiger. Het optreden van het Indonesische leger op het eilanddeel heeft de afgelopen 22 jaar naar schatting meer dan 100.000 Timorezen het leven gekost.

Aan Zuidafrikaanse zijde rijst nu de vraag: vanwaar deze evolutie in Mandela's houding? De belangrijkste reden dat hij hiervan in Jakarta is afgeweken lijkt van interne aard te zijn. Binnen Mandela's ANC is de communistische vleugel traditioneel sterk vertegenwoordigd. Mandela kreeg door zijn eerdere vrijage met Soeharto ook binnen eigen gelederen veel kritiek; Indonesië is uitgerekend het land waar in de tweede helft van de jaren zestig enige honderdduizenden communisten door toedoen van Soeharto om het leven werden gebracht. Bovendien ontstonden er begin jaren zeventig nauwe banden tussen het ANC enerzijds en anderzijds de drie verzetsbewegingen die zich probeerden los te weken van het koloniale Portugal: de MPLA in Angola, het Frelimo in Mozambique en het FRETILIN. Angola en Mozambique werden na hun onafhankelijkheid in 1975 twee van de zogenaamde Frontlijnstaten tegen de apartheid. Ze steunden het ANC, maar wensten hun 'broeders' in Oost-Timor niet op te geven. Alles wijst erop dat Mandela door een deel van zijn achterban aan de 'historische schuld' is herinnerd.