Lieftinck: joods erfrecht beperken

DEN HAAG, 2 AUG. Minister van Financiën P. Lieftinck (PvdA), heeft kort na de Tweede Wereldoorlog voorgesteld om voor de joodse bevolkingsgroep in Nederland het erfrecht te beperken. Met deze maatregel wilde Lieftinck het aantal claims van de nabestaanden van joodse oorlogsslachtoffers op verzekeringsmaatschappijen verminderen.

Dit blijkt uit de notulen van de ministerraad van 28 oktober 1946. Lieftinck was bang dat de financieel verzwakte Nederlandse verzekeraars zouden bezwijken als zij aan alle joodse nabestaanden van vermoorde polishouders een uitkering zouden moeten geven. “Grijpt men niet in dan zal t.z.t. een steunregeling voor het levensverzekeringsbedrijf noodzakelijk blijken”, zei de PvdA-minister in de vergadering van het kabinet-Beel.

Lieftinck heeft zijn zin niet gekregen. De KVP-minister J.H. van Maarseveen (Justitie) was zeer fel gekant tegen de voorstellen van Lieftinck, die volgens hem een 'hatelijk karakter' hadden.

Op voorstel van minister-president L.J.M. Beel (KVP) werd een commissie benoemd, waarvan later weinig meer is vernomen.

De verzekeringsmaatschappijen hadden in de oorlog op last van Seyss-Inquart, rijkscommissaris voor bezet Nederland, afkoopsommen betaald aan de Duitse bezetter, die de levens- en pensioensverzekeringen van de joden had geroofd. Na de oorlog beschouwden de verzekeraars die polissen als beëindigd. De Raad voor het Rechtsherstel, die na de oorlog door de regering in het leven was geroepen, dwong de weigerachtige verzekeraars echter om de joodse overlevenden en nabestaanden hun verzekeringspolissen terug te geven.

De verzekeraars lieten Lieftinck weten dat zij daardoor failliet zouden gaan. Lieftinck wilde om die reden de rechten van de joodse erfgenamen beperken tot en met de eerste graad, ofwel “de kring van echtgenooten, kinderen, ouders, broers en zusters”.

Daarvoor was een wetswijziging nodig, omdat het Nederlandse erfrecht uitgaat van vererving tot en met de zesde graad, waaronder onder meer achterneven en -nichten vallen. Volgens Lieftinck was het “nauwelijks te verdedigen, dat verre familieleden van overleden joodse verzekerden uitkeeringen zouden toucheeren waaromtrent zij tevoren nooit eenige verwachting hebben gehad”.

Volgens Van Maarseveen was het plan van Lieftinck in strijd met de grondwet. “De Joden zijn door den bezetter in een uitzonderingspositie geplaatst. Wij mogen niet in dezelfde fout vervallen.” De minister vond dat de gehele Nederlandse bevolking en niet alleen de joden moesten opdraaien voor de oorlogsschade.