Kenia: de moslims van de kust ontwaken

Aan Kenia's oostkust broeit het. De islamieten van Mombasa voelen zich tweede-rangsburgers en voegen zich in de groeiende rijen van de oppositie. Sjeik Balala ziet zichzelf als de 'Kabila van Kenia'.

MOMBASA, 2 AUG. Khalef Khalifa zet zijn islamitische hoofddeksel recht en zegt: “Wij moslims van de kust van Kenia voelen ons gekoloniseerd door de zwarte regeerders uit het binnenland. Ons lot ligt in handen van een kliek in de hoofdstad Nairobi. De veelal christelijke volkeren van het binnenland zijn anders dan wij”. Khalifa is een activist van de landelijke oppositiepartijen. Hij heeft er echter niet veel vertrouwen in dat onder een eventuele regering van de huidige oppositiepartijen de gemarginaliseerde islamieten het beter zullen krijgen in Kenia. “De enige waarborg om onze belangen veilig te stellen, is de introductie van clausules in de grondwet waardoor minderheden speciale bescherming gaan genieten.”

Het broeierige Mombasa, Kenia's tweede stad, onderscheidt zich grondig van de rest van het land. Voortgedreven door de passaatwinden arriveerden vele honderden jaren geleden in hun zeilschepen Arabische handelaren. Velen van hen mengden zich met de plaatselijke zwarte bevolking, waaruit het crême-kleurige Swahili-volk voortkwam. Begin deze eeuw voegden zich daarbij Indiase trekarbeiders die werkten aan de aanleg van de spoorweg naar Oeganda. Aan de kust ontstond een voor Kenia unieke mengelmoes van verschillende volkeren.

De Arabieren introduceerden de islamitische cultuur en religie, maar verspreidden deze nauwelijks verder landinwaarts. De zielen van de diverse volkeren in het binnenland werden in de afgelopen honderd jaar goeddeels gewonnen door christelijke kerken. Door de verhuizing naar de kust van tienduizenden Kenianen die op de toeristenindustrie afkwamen is inmiddels nog slechts zestig procent van de kustbevolking moslim. Maar de speciale geschiedenis van de kustbewoners bepaalt er nog steeds in belangrijke mate de politieke en sociale dynamiek.

“We zijn tweederangs burgers in Kenia”, verkondigt de politieke activist Munir Mazrui in Mombasa. Volgens de officiële statistieken is slecht twintig procent van Kenia's 27 miljoen inwoners islamiet. Volgens moslims is dit cijfer met opzet laag gehouden. “Eenderde van de Kenianen is moslim”, aldus Mazrui. “Waarom zit er dan slechts één moslim in de regering? Waarom staan de autoriteiten toe dat grond bestemd voor de bouw van moskeeën wordt ingepikt door kerken? Waarom krijgen islamieten geen of heel moeilijk paspoorten?”

Van openlijke discriminatie tegen moslims of grote spanningen tussen christenen en islamieten in Kenia is nauwelijks sprake. Evenals de herdersvolken van het zanderige noorden, voelen de kustbewoners zich niettemin achtergesteld. President Moi, lid van de Pinkstergemeente en een herboren christen, bepaalt in de ogen van menige moslim wel heel erg het nationale aanzien van het land. Televisiekijkers moeten bijvoorbeeld iedere zondag uitgebreid meegenieten van Mois kerkbezoek. “Moi prijst alleen christelijke waarden en toont minachting voor de moslims”, stelt een inwoner van Mombasa. Islamieten ergeren zich hieraan, maar bewust van hun minderheidspositie stellen ze zich gematigd op. “Er bestaat een gezonde competitie tussen het christelijke en het islamitische geloof”, vindt een katholieke pater in Mombasa. “Soms proberen moskeeën onze volgelingen weg te lokken door gratis voedsel te verstrekken. Maar ach, dat hoort er een beetje bij. Over het algemeen leven we vreedzaam samen. Er bestaat een probleem omdat de regering goeddeels uit christenen bestaat.”

Mombasa maakt een verwaarloosde indruk. Uniek is dat niet in Kenia. Evenals vrijwel alle andere Keniase steden raakte de eeuwenoude havenstad in de afgelopen jaren in verval. Stinkend afval hoopt zich op in volksbuurten en in het wegdek zitten metersgrote gaten. Tienduizenden jongeren zitten zonder werk en honderden verpauperde straatkinderen bedelen en stelen hun maaltijden bij elkaar. Electriciteits- en watervoorziening werken onregelmatig. Scholen en ziekenhuizen zijn nog slechts een schaduw van wat eens gold als een relatief goed ontwikkelde sociale infrastructuur. De specifieke religieuze identiteit en de politieke en sociale onvrede lagen in 1992 ten grondslag aan de oprichting in Mombasa van de Islamitische Partij van Kenia (IPK). Hoewel inmiddels het meer-partijenstelsel was geïntroduceerd, verklaarde de regering de IPK onmiddellijk illegaal omdat de grondwet partijen op religieuze grondslag niet toelaat. Ontevreden moslimouderen en werkloze jongeren zagen in de IPK een middel om stoom af te blazen. “De IPK is op straat geboren en kan alleen op straat overleven”, omschrijft Khalef Khalifa het populistische karakter van de partij. Toen de onbevreesde en razend populaire straatprediker sjeik Balala de leiding overnam van de IPK, leek de groei van de partij niet meer te stoppen. De overheid kwam in actie. Balala verdween herhaaldelijk achter de tralies en toen ook dit hem niet leek te beteugelen, ontnam de regering hem drie jaar geleden de Keniase nationaliteit toen hij op reis was in Duitsland. Balala zou een inwoner van Jemen zijn, argumenteerden de Keniase autoriteiten. Balala stond buitenspel in het verre Europa en daarmee verloor de IPK invloed.

Geconfronteerd met gewelddadige onlusten, eerder deze maand, als gevolg van de groeiende invloed van oppositiepartijen en na een bezoek van de Duitse minister van Buitenlandse Zaken aan Nairobi, zag de Keniase regering zich genoodzaakt Balala weer in zijn geboorteland toe te laten. De sjeik is nog steeds een vurig spreker. “Ik ben uit Duitsland teruggekeerd als een vrijheidsstrijder”, betoogt de zo mogelijk nog geradicaliseerde Balala. “Er brandt een vlam van woede in me. Ik ben boos, evenals zovele Kenianen boos op president Moi.” Balala weet menigtes op zijn hand te krijgen. Een blad neemt hij nooit voor de mond, een eigenschap die bevrijdend werkt in een land waar pas korte tijd vrijheid van meningsuiting bestaat. “Ik ben de Keniase commandant Kabila”, luidt een van zijn geliefde uitspraken. Of: “Moi is een kakkerlak. Je moet insecticide gebruiken om hem uit de hoek te krijgen.” Dergelijke uitspraken doen het goed bij het groeiende leger van werkloze jongeren aan de kust.

Voor de nationale oppositiepartijen en de moslimintellectuelen aan de kust begint Balala inmiddels meer een blok aan het been te worden dan een voordeel. De straatprediker raast maar door, een interview wordt een monoloog. Altijd verkeert hij in een staat van opwinding. Hij houdt zich niet aan met andere oppositiepartijen gemaakte afspraken en gedraagt zich als een ongeleid projectiel. Menige moslim gelooft inmiddels dat er een paar schroefjes los zitten bij de man, mede als gevolg van zijn gedwongen ballingschap in Duitsland. “Hij mist iedere diepgang”, meent Khalef Khalifa. “In het begin vervulde hij als straatprediker een belangrijke functie bij de werving van een aanhang voor de IPK. Maar nu hebben we intelligent leiderschap nodig om de belangen van de kustbevolking te kunnen behartigen.”

Met of zonder Balala, de invoering van partijpolitiek pluralisme, vijf jaar geleden, lijkt de situatie aan de kust definitief te hebben veranderd. De moslims zijn zich bewust van hun minderheidspositie en daarom eist het merendeel van hen niet de toepassing van het islamitische strafrecht of andere radicale, op de islam gebaseerde maatregelen. Hoewel schoorvoetend, accepteren ze zelfs de grote aantallen verderfelijk geklede Westerse toeristen, die veelal weinig respect tonen voor de plaatselijke gewoontes.

Maar Kenia's kust staat niet langer bekend als het slapende deel van het land, de moslims schromen niet meer om van zich te laten horen, ze zijn gaan strijden voor hun rechten. Ze spannen rechtszaken aan tegen rijke landgenoten uit het binnenland die lappen grond aan de kust aftroggelen van plaatselijke bewoners om er luxe toeristenhotels neer te zetten. Projecten om kerken te bouwen op 'islamitische grond' worden bestreden. De islamieten lijken ontwaakt. De kust van Kenia zal nooit meer hetzelfde zijn.

    • Koert Lindijer