Hoe de Nederlandse regering worstelde met het rechtsherstel voor joodse overlevenden; Agendapunt 5 Vraagstuk der Joodsche Polissen

In 1946 probeerde het kabinet-Beel een oplossing te vinden voor een gevoelige en financieel riskante kwestie. De rechter had beslist dat de verzekeringsmaatschappijen na de oorlog de rechten van hun joodse polishouders moesten herstellen. De verzekeraars vreesden daardoor failliet te gaan. En waarom zouden de joden zelf geen bijdrage leveren 'om te geraken tot een oplossing van het probleem dat nu eenmaal door het Duitsche optreden tegenover de Joden in het leven is geroepen'?

Zomer 1946. Een jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog kwam het herstel van de zwaar getroffen economie in Nederland voorzichtig op gang. De meeste van de 25.000 Nederlandse joden die de oorlog hadden overleefd, keerden terug uit de concentratiekampen en van onderduikadressen. En waren op zoek gegaan naar verdwenen familieden, naar de restanten van hun huizen en hun geroofde bezittingen.

Onder hen was de jurist dr.mr. R.R.L.M. Bromberg uit Roermond, voor wie de warme junimaand een bevrijdend vonnis bracht. Bromberg had in de jaren dertig voor in totaal 24.000 gulden aan levensverzekeringen afgesloten bij verschillende maatschappijen. Tijdens de bezetting, in hun jacht op joods bezit, hadden de nazi's joodse huizen onteigend en leeggeroofd. Vanaf augustus 1941 moesten joden ook hun vermogenswaarden inleveren bij de van oorsprong joodse bank Lippmann Rosenthal & Co Sarphatistraat (kortweg Liro), die door de Duitse bezetter was overgenomen. Onder de ingeleverde bezittingen vielen behalve effecten, kunstschatten en juwelen, ook levensverzekeringen en lijfrentepolissen die joden voor de oorlog hadden afgesloten. Zo was ook Bromberg zijn polissen kwijtgeraakt.

In juni 1943 decreteerde rijkscommissaris Seyss-Inquart dat alle joodse levens-, rente- en pensioenverzekeringen moesten worden beëindigd, een decreet dat bekend is geworden als verordening '54/1943'. Deze verordening hield onder meer in dat de verzekeringsmaatschappijen bij Liro de polissen moesten afkopen. Een afkoopsom is een normaal onderdeel van een verzekeringscontract, waarmee een polishouder een einde kan laten maken aan de verzekering. De opbrengst van de afkoopsommen (ongeveer 23 miljoen gulden) ging - net als die van andere waardevolle spullen - naar de bezetter en werd onder meer gebruikt voor het transport van de gedeporteerde joden.

Na de oorlog weigerden de ongeveer zeventig levensverzekeraars in veel gevallen aan de nabestaanden uit te keren. Met de afkoopsom was het verzekeringswezen naar eigen overtuiging ontslagen van zijn verplichtingen. De verzekeraars wezen er bovendien op dat sommige polishouders al voor juni 1943 waren opgehouden met het betalen van premies.

Tijdens de oorlog is ook Bromberg afgevoerd naar vernietigingskampen, maar hij wist die te overleven. Terug in Nederland kreeg hij - en met hem duizenden andere joodse polishouders - van de verzekeringsmaatschappijen te horen dat hij geen recht had op een uitkering en dat hij dat recht ook voor de toekomst had verspeeld.

De Raad voor het Rechtsherstel, die na de oorlog door de regering in het leven was geroepen, gaf Bromberg echter op 17 juni 1946 gelijk en hij kreeg zijn verzekering terug. In de ongeveer vierduizend rechtszaken die joodse polishouders en hun nabestaanden na de oorlog aanspanden bij de Raad, werden de weigerachtige verzekeraars telkens in het ongelijk gesteld. De Raad had, meer dan de verzekeraars, begrip voor het staken van premiebetalingen tijdens de bezetting. “Rekening moet worden gehouden met de destijds bestaande onmogelijkheid voor de Joden om vervallen premies te betalen”, luidt de motivering in een van de vonnissen. De ongeveer zeventig levensverzekeraars begonnen zich nu ernstig zorgen te maken over hun financiële positie.

Om die reden stuurde de Bedrijfsgroep Levensverzekering dezelfde zomer, op 20 augustus, een brandbrief aan minister mr. P. Lieftinck (Financiën) met de boodschap dat het “vraagstuk der Joodsche polissen geen langer uitstel meer gedoogt”. Voorzitter J.G.H. Sauveplanne noemde de vonnissen van de Raad “zonder enige overdrijving catastrophaal”. Dreigend voegde hij eraan toe dat de overheid de maatschappijen wel eens met geld te hulp zou moeten schieten, omdat het “nationaal belang in geding” was, “dat niet kan lijden dat het Nederlandse levensverzekeringsbedrijf, waarvan millioenen burgers wat hun toekomstverzorging betreft afhankelijk zijn, geheel of ten deele in déconfiture geraakt, daargelaten nog de hoogst nadeelige invloed daarvan voor het Nederlandsche staatscrediet”.

Het dreigement dat de overheid mogelijk moest gaan bijpassen om de verzekeraars in leven te houden, miste zijn uitwerking niet op de oerzuinige Lieftinck. Het lobbywerk van de verzekeraars, waarop de brandbrief de kroon was geweest, zette in het zomerse Den Haag een heel raderwerk in werking. Hoewel de Kamer met reces was, werkten ambtenaren op de ministeries van Financiën en Justitie ijverig aan notities over wat inmiddels de 'Joodsche Polissen' was gaan heten. Met als resultaat enkele politieke voorstellen, die blijk geven van de nogal technocratische aanpak van deze gevoelige kwestie.

Naar aanleiding van de kwestie van het 'nazigoud' en de 'slapende rekeningen' in Zwitserland is het afgelopen jaar ook in Nederland het rechtsherstel van de joden onderwerp van discussie geworden. In juni werd een commissie onder leiding van W. Scholten, voormalige vice-voorzitter van de Raad van State, geïnstalleerd om te onderzoeken hoe de overheid en financiële instellingen de uitkeringen aan joden na de oorlog hebben afgehandeld.

Onlangs werd bekend dat Aegon en Delta Lloyd in onderhandeling zijn over een uitkering aan joodse nabestaanden van vermoorde polishouders. De rol van de overheid wordt pregnant beschreven in enkele documenten in de archieven van de ministeries van Financiën, Algemene Zaken en Justitie. De worsteling van de Nederlandse regering met de joodse polissen was - zo blijkt uit deze regeringsstukken - het hevigst in de herfst van 1946, die achteraf kan worden gezien als een cruciale periode. Hoe woog de Nederlandse regering de belangen van de joodse verzekeringnemers af tegen die van de verzekeringsmaatschappijen?

In de kranten van maandag 28 oktober 1946 - wegens de papierschaarste nog op half formaat - zijn de nasleep van de Tweede Wereldoorlog, de voorzichtige wederopbouw en het begin van de Koude Oorlog goed zichtbaar. Hermann Goering, wiens dood twee weken eerder was gemeld, bleek zichzelf met een gifcapsule te hebben omgebracht. Limburgse mijnwerkers kregen elk 40 gram tabak, omdat voor het eerst sinds 1940 de dagproductie boven de 33.000 ton kolen was uitgekomen. Duitse technici werden gedeporteerd naar de Sovjet-Unie.

Op deze druilerige oktoberdag had het kabinet onder leiding van de KVP-premier dr. L.J.M. Beel beraad in Den Haag. De eerste rooms-rode coalitie, met PvdA-voorman W. Drees als minister van Sociale Zaken, zat toen bijna vier maanden in het zadel. Onder de aanwezige ministers heerste die maandag grote tevredenheid over het gemak waarmee de Duitse grenscorrecties door de Kamers waren geloodst. De meeste agendapunten werden tamelijk soepel afgehandeld zonder dat de minister-president veel hoefde te sturen.

Tegen het einde van het kabinetsberaad werd de sfeer echter grimmig. Het was tijd voor de behandeling van agendapunt '5', over het “Vraagstuk van de Joodsche polissen”.

Toen Lieftinck het woord nam, wisten zijn collega-ministers hoe laat het was. Met de naoorlogse geldhervorming ('Het tientje van Lieftinck') en de monetaire stabiliteit had de PvdA-minister onder hen een enorm gezag verworven. Zijn spontane aanvallen van bezorgdheid hadden hem echter ook de bijnaam bezorgd van 'Piet Paniek'. Het was 'Piet Paniek' geweest die op 17 oktober al had gewezen op het 'gevaar' van de uitkering van joodse tegoeden voor de betalingsbalans: er gingen guldens naar Palestina waar inmiddels enkele nabestaanden waren neergestreken.

Het was ook 'Piet Paniek', die zijn collega's nu in schrille bewoordingen waarschuwde voor een ramp die de Nederlandse levensverzekeraars bedreigde door de joodse polissen: “Tengevolge van dit rechtsherstel dreigen de verzekeringsmaatschappijen in grote financieele moeilijkheden te komen”, hield Lieftinck zijn collega's voor. “Een financieel krachtig levensverzekeringswezen is een maatschappelijk belang van de eerste orde”, waarvoor de overheid mogelijk moest gaan betalen: “Grijpt men niet in (...) dan zal t.z.t. een steunregeling voor het levensverzekeringsbedrijf (...) noodzakelijk blijken.”

Het dreigende tekort bij de levensverzekeraars was een gevolg van de uitspraken van de Raad voor het Rechtsherstel, afdeling rechtspraak, die speciaal voor dergelijke geschillen was opgericht. De belangrijkste figuur bij de Raad was de vermaarde jurist mr. R.P. Cleveringa, die het in de oorlog had opgenomen voor zijn joodse collega-hoogleraar Meijers en in kamp-Vught was beland. De Raad verklaarde verordening '54/1943' - en daarmee de afkoop - nietig en dwong de verzekeringsmaatschappijen tot het herstel van de polis. In ruil daarvoor kregen zij een claim op de boedel van de bank Lippmann Rosenthal, die na de oorlog werd geliquideerd. Zo dwong rechtbank-president Cleveringa in de zaak Bromberg de maatschappijen tot polisherstel.

De verzekeringsmaatschappijen voelden zich onrechtvaardig behandeld en kregen daarbij de steun van de ambtelijke top van Financiën, die net als Lieftinck vond dat de vonnissen van de Raad “redelijkheid en billijkheid” misten. De verzekeraars waren hard getroffen door oorlogssterfte onder hun polishouders. Zij hadden in de oorlog voor 23 miljoen gulden afgekocht en verwachtten uit de boedel van Liro slechts eenderde van dit bedrag terug te krijgen. De maatschappijen konden het naar hun mening niet opbrengen om ook nog eens de levensverzekeringen uit te keren aan de erfgenamen.

“In geval alle polissen zonder meer hersteld zouden worden, wordt de nettoschade boven de wiskundige reserve door de maatschappijen begroot op 39.000.000 gulden”, liet Lieftinck zijn collega's weten. Dit bedrag uit 1946 zou in 1997 zijn opgelopen tot ruim 800 miljoen gulden.

De Verzekeringskamer had al aangegeven dat de 39 miljoen voor 'Joodsche polissen' moest worden opgeteld bij de 10 miljoen voor 'Nederlandsche polissen' en 25 miljoen voor 'Indische polissen'. Een boekhoudkundige wijziging, die de overheid de verzekeraars had opgelegd, zou de maatschappijen nog eens 90 miljoen gulden kosten. De totale wettelijke reserve van de verzekeringsbranche van 115 miljoen gulden woog dus niet op tegen de verwachte kosten ter waarde van 164 miljoen gulden. Bij deze berekening liet de Verzekeringskamer echter na te vermelden dat de maatschappijen veelal beschikten over stille (in de boeken niet zichtbare) reserves en de boekhoudkundige wijziging vaak al hadden doorberekend.

“Deze factoren in aanmerking nemend lijkt het mij mogelijk dat de verzekeringsmaatschappijen als totaliteit de schade uit de Joodsche polissen - ad 39 miljoen - de omrekening van de premiereserves wel zullen kunnen opvangen uit hun reserves”, had het hoofd Binnenlands Geldwezen van het ministerie van Financiën, F.A.G. Keesing, op 24 augustus aan Lieftinck geschreven: “Deze reserves zullen daarna zeer gering zijn, veel kleiner dan wenschelijk te achten is uit het oogpunt van algemene bedrijfsvoering. Enkele maatschappijen zullen echter ongetwijfeld toch onder de noodregeling komen te vallen indien de Joodsche polissen voor 100 % hersteld worden zonder dat de staat bijspringt, hetgeen zou beteekenen dat ook de niet-Joodsche polishouders in het tekort zouden moeten bijdragen.”

De levensverzekeraars hadden wel een oplossing voor wat zij ietwat onhandig het 'Joodsche vraagstuk' waren gaan noemen. Zij wilden een wettelijke beperking van het aantal joodse erfgenamen tot de eerste graad, ofwel “de kring van echtgenooten, kinderen, ouders, broers en zusters”. De ambtelijke top van Financiën zag er wel wat in, omdat hiermee het uitkeringsbedrag omlaag kon worden gebracht van 39 tot 19 miljoen gulden. Dat bedrag kon de overheid voor de helft wel bijpassen met renteloze leningen die voor een deel zouden worden kwijtgescholden, redeneerde Keesing.

De Nederlandse erfwetgeving gaat sinds 1922 van beërving tot en met de zesde graad en voor een beperking, ook nog voor een bevolkingsgroep, zou dus een wetswijziging nodig zijn. Volgens de Bedrijfsgroep Levensverzekering mocht de beperking “allerminst worden gezien als een discrimineering van het Joodsche deel der Nederlandsche bevolking ten opzichte van het niet-Joodsche deel, doch een bijdrage van Joodsche zijde om te geraken tot een oplossing van het probleem, dat nu eenmaal door het Duitsche optreden tegenover de Joden in het leven is geroepen.” Keesing dacht er net zo over: “Gezien het feit dat van geval tot geval toch niet meer uit te zoeken is in hoeverre verzekeraar en verzekerden juist hebben gehandeld, lijkt het mij logisch dat verzekeringsmaatschappijen en Joodsche verzekerden beiden water in de wijn doen.”

Minister Lieftinck nam het voorstel over en presenteerde dat die oktoberdag in het kabinet. “De rechtsgrond voor dezen maatregel zal moeten zijn dat uit moreel, financieel en sociaal oogpunt het nauwelijks te verdedigen is, dat verre familieden van overleden joodse verzekerden profijt zouden trekken uit het lot, dat het Joodsche deel der Nederlandsche bevolking door het optreden van de Duitschers ten deel is gevallen, in dier voege dat zij uitkeeringen zouden toucheeren waaromtrent zij tevoren nooit eenige verwachting hebben gehad”, zo zei hij.

Lieftinck die net bezig was met het opzetten van een campagne om de Nederlandse burgers meer te laten sparen bij banken en verzekeraars zag geen alternatief. “Het is beter te voorkomen dan te genezen”, vond Lieftinck: “Op deze wijze zou het vertrouwen in het levensverzekeringswezen geen schok hoeven te ondergaan, hetgeen in de tegenwoordige omstandigheden, nu ook een spaarcampagne voor de deur staat, van uitnemend gewicht moet worden geacht.”

Minister mr. J.H. van Maarseveen van Justitie was mordicus tegen de plannen van Lieftinck. De Utrechtse advocaat van KVP-huize stond bekend om zijn bescheiden presentatie, die zijn vastberadenheid verhulde. Zijn sporen zou hij enkele jaren later verdienen, toen hij als minister voor Overzeese Gebiedsdelen de politiek zeer beladen onafhankelijkheid van Indonesië afwikkelde. Op dat moment genoot Van Maarseveen nog geen groot aanzien, maar in de confrontatie met de gezaghebbende Lieftinck gaf hij geen duimbreed toe.

“De Joden zijn door den bezetter in een uitzonderingspositie geplaatst. Wij mogen niet in dezelfde fout vervallen”, zei Van Maarseveen die de nietigheid van de Duitse anti-joodse maatregelen in overeenstemming vond “met de meest elementaire begrippen van rechtvaardigheid”. Als de verzekeraars inderdaad waren beroofd door de bezetter, dan moest de gehele bevolking daarvoor opdraaien, “niet een bepaalde groep”. Het voorstel van Lieftinck kwam volgens hem neer op “onteigening zonder schadevergoeding, wat de Grondwet verbiedt”.

Als compromis had Lieftinck voorgesteld om de beperking van het erfrecht uit te breiden tot alle verzekeringspolissen, die een relatie hadden met de oorlog. Ook daarin zag Van Maarseveen helemaal niets: “Deze regeling treft in het bijzonder de Joden en de familieleden van Indische geïnterneerden en krijgsgevangenen en heeft daarom een hatelijk karakter ten aanzien van deze twee meest beproefde groepen onzer bevolking.” Van Maarseveen wees op de mogelijkheid om de extra succesierechten die de staat door de uitkeringen zou opstrijken uit te keren aan de verzekeraars.

De standpunten van Lieftinck en Van Maarseveen stonden voor de verschillende belangen, die de wederopbouw in Nederland moest dienen. Lieftinck bekommerde zich zeer om het prille economische herstel in Nederland, dat als geen ander land in West-Europa door de Duitsers was leeggeroofd. Van Maarseveen was begaan met de Nederlandse joden, die weliswaar hadden overleefd maar verder van have en goed waren beroofd. De joodse polissen belichaamden het dilemma, dat het rechtsherstel voor de joden grote financiële gevolgen kon hebben, in dit geval voor de door de oorlog verzwakte verzekeraars.

Lieftinck en Van Maarseveen kwamen er in het kabinetsberaad in het geheel niet uit. De minister-president, Beel, greep uiteindelijk in met de woorden “dat voor beide standpunten belangrijke argumenten zijn aan te voeren”. Vervolgens stelde hij de installatie voor van een commissie “waarin ook het Joodsche element zal zijn vertegenwoordigd”, die zich zou buigen over het geheel. De voltallige ministerraad stemde daarmee in en Beel nam de dossiers over van de ministers Lieftinck en Van Maarseveen.

Het voorstel van Financiën stierf een zachte dood in de jaren erna, waarin van de commissie niets meer werd vernomen. Op 27 maart 1947 vernietigde prof. Kollewijn van de Raad voor het Rechtsherstel definitief verordening 54/1943. De verzekeraars, die begrepen dat noch van de rechterlijke macht noch van de politiek nog veel viel te verwachten, zochten hun toevlucht tot onderhandelingen met de rechthebbenden.

Met de Stichting Bewindvoering Afwezigen en Onbeheerde Nalatenschappen sloot de Bedrijfsgroep Levensverzekering in mei 1948 een 'agreement'. Daarin werd afgesproken dat de verzekeraars de lévende polishouders en nabestaanden (in de ruime zin van de Nederlandse wetgeving) zouden uitbetalen en slechts in uitzonderlijke gevallen nog zaken voor de rechter zouden brengen. De kwestie van de 'slapende polissen', (polissen waarvan onbekend is of er erfgenamen voor zijn) zou pas jaren later worden geregeld met de overheid. Voor zover valt na te gaan, hebben de maatschappijen in het algemeen het 'agreement' loyaal nageleefd en de levende rechthebbenden zonder al te veel morren uitbetaald.

In de late jaren veertig werd de aanvankelijk zo vurig gewenste beperking van het erfrecht voor de verzekeraars minder urgent. De angst voor faillissementen verdampte, doordat de financiële situatie van de maatschappijen snel verbeterde. De uitkering uit de boedel van Lippmann Rosenthal viel hoger uit dan verwacht en uiteindelijk ontvingen de verzekeraars zo'n 90 procent van hun afkoopsommen terug. “Inmiddels zijn de verwachtingen daaromtrent wat optimistischer gestemd”, schreef het hoofd Binnenlands Geldwezen, Keesing, op 9 juli 1949 aan Lieftinck. Keesing voegde eraan toe: “Het blijkt dat de maatschappijen bij voortduring een zeer grote produktie hebben en dat de winsten zich op een zeer behoorlijk peil bevinden.”