Het Thai-syndroom

ALLE INGREDIËNTEN voor een opwindende televisiesoap zijn aanwezig. De uitval van een Derde-Wereldpremier naar Westerse speculanten. De Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken die in karaoke-stijl 'Don't cry for me Argentina' zingt. Een valutacrisis. Kapitaalvlucht. Devaluaties. Politieke spanningen. Haastig ingeroepen hulp van het Internationale Monetaire Fonds (IMF).

Nee, deze keer niet in Zuid-Amerika, waar dergelijke gebeurtenissen zich de afgelopen vijftien jaar regelmatig hebben voorgedaan. Maar in de 'opkomende landen' van het 'Aziatische wonder', de gekoesterde lievelingen van financiers en ontwikkelingseconomen. Sinds Thailand begin juli gedwongen was om de vaste wisselkoers van zijn munt, de bath, los te laten en de bath twintig procent in koers kelderde, verkeren de landen van Zuidoost-Azië in een staat van permanente valuta-onrust. De munten van Maleisië, de Filippijnen, Indonesië, Korea zijn gedevalueerd. Op de jaarlijkse vergadering van de ASEAN, het verbond van Zuidoost-Aziatische landen, beschuldigde de Maleisische premier de filantroop-speculant George Soros ervan de aanstichter van de crisis te zijn.

Soros, zo ging het verhaal, zou zijn onvrede hebben willen tonen met het besluit van de ASEAN om Birma en Laos als nieuwe leden toe te laten. In Birma worden op grote schaal de rechten van de mens geschonden en Soros, die met zijn liefdadigheidsstichtingen onder meer democratische bewegingen steunt, zou de toelating van Birma tot de ASEAN-club hebben willen voorkomen door met zijn speculatiefonds een muntcrisis in Zuidoost-Azië te forceren. Thailand, met zijn grote tekort op de betalingsbalans, was een voor de hand liggend doelwit.

De beschuldiging was uit de lucht gegrepen, maar gaf de Aziatische gevoeligheid voor buitenlandse bemoeizucht met de kwestie van de rechten van de mens treffend weer. Madeleine Albright, de flamboyante Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, stak aan het slot van de ASEAN-bijeenkomst de Aziatische leiders een hart onder de riem: 'Don't cry for me, Aseanies'. Met die grap wist ze de show te stelen.

DE VALUTACRISIS van Zuidoost-Azië is allesbehalve een grap. Aan de plotselinge devaluaties liggen structurele economische problemen ten grondslag, vergelijkbaar met de 'tequila-schok' die Mexico eind 1994 trof. Het is de combinatie van tekorten op de betalingsbalans, de toevloed van buitenlands kapitaal, zwakke centrale banken en een kwetsbaar particulier banksysteem dat heeft geleid tot paniek, kapitaalvlucht van vermogende ingezetenen en van buitenlandse beleggers, wanhopige pogingen van de autoriteiten om de crisis te stoppen en de uiteindelijke capitulatie voor de macht van de financiële markten. Met als apotheose een devaluatie van de munt en een vernederende gang naar het Internationale Montaire Fonds om hulp te vragen.

Een deel van de problemen vindt zijn oorzaak in de dollar. De Aziatische landen hebben hun munten aan de dollar gekoppeld. Dat heeft veel rust gebracht, en daarmee zekerheid aan buitenlandse beleggers. Maar door de koersstijging van de dollar in het afgelopen jaar ten opzichte van de Japanse yen en de Europese munten is de concurrentiepositie van de export-afhankelijke Aziatische economieën verslechterd.

Andere oorzaken liggen in wat Jeffrey Sachs, de provocerende Harvard-econoom, de twee 'optische illusies' van de financiële markten heeft genoemd. De eerste illusie heeft te maken met de toestroom van kapitaal. Als er geen devaluatierisico bestaat omdat de munt van een land is gekoppeld aan de dollar en als de rente in een land relatief hoog is, komt er in de huidige geliberaliseerde kapitaalmarkten een vloedgolf van snel geld naar zo'n land op gang. Dit leidt tot een bestedingsexplosie en hoge groeicijfers van de economie. Maar de munt van het betreffende land neigt steeds verder overgewaardeerd te raken zodat de exporten stagneren, de importen toenemen en de betalingsbalans verslechtert. Het feest eindigt uiteindelijk in een onhoudbare situatie. In het verleden hebben de zuidelijke lidstaten van het Europese Monetaire Stelsel en de Latijns-Amerikaanse landen met dit fenomeen te maken gehad. Het treft nu de Zuidoost-Aziatische landen.

De tweede illusie is die van onbeperkt geld. De massale toestroom van buitenlands kapitaal via een zwak ontwikkeld binnenlands banksysteem leidt tot investeringen in steeds twijfelachtigere projecten, veelal in onroerend goed. Ooit moeten die leningen worden afbetaald. Zodra de bankkredieten niet meer kunnen worden afgelost, verandert de geldstroom van richting - het land uit. Dat is het begin van een bancaire en een valutacrisis.

Thailand heeft met beide verschijnselen, overwaardering van de bath en excessieve bankleningen, te maken gekregen. Net als in Mexico-1994. En net als in Mexico hebben de Thaise autoriteiten te lang gewacht met loslating van de vaste wisselkoers. In de financiële val van Thailand zijn vervolgens andere Zuidoost-Aziatische landen meegesleurd. Thailand en de Filippijnen staan nu onder toezicht van het IMF voor economische aanpassingen om een herhaling van de crisis te voorkomen.

HET EVENWICHT tussen kapitaalimport en wisselkoersstabiliteit is lastig te bereiken, maar essentieel voor opkomende economieën die voor hun welvaartsgroei afhankelijk zijn van exporten en van buitenlandse investeringen. Ook de 'wonderlanden' van Zuidoost-Azië kunnen zich niet aan deze smalle marges voor het economische beleid onttrekken.