Het gaat goed; nu Leeuwarden nog

De economische groei is meer dan 3 procent per jaar en de beurs staat nog steeds hoog. Als volgende week onze ministers terugkomen van vakantie, kunnen ze tegen een gunstige achtergrond de Miljoenennota voor 1998 gaan schrijven.

Maar de OESO is nog niet erg tevreden. En wie zich realiseert dat de hoge groei en de dure beurs maar weinig betekenen voor de bijstandsmoeder in Leeuwarden of de werkloze textielarbeider in Enschede, moet het eens zijn met de economen in Parijs. Die publiceerden drie jaar geleden een grote studie over de werkloosheid. Sindsdien is de werkloosheid in Duitsland en Frankrijk gestegen in plaats van gedaald; in Nederland gaat het wel beter maar zonder veel effect voor ouderen en langdurig werklozen, vooral niet in plaatsen als Rotterdam, Den Haag en in het Noorden. Leeuwarden telde in juli 1994 8.951 werklozen; nu zijn het er 8.210. Nog geen 10 procent minder in een periode van drie jaar. Nederland beleeft dus de combinatie van hoge groei met zelfs tekorten op de arbeidsmarkt voor sommige beroepen maar tegelijkertijd aanhoudende armoede in Leeuwarden.

De 'boom' brengt intussen twee gevaren met zich mee. Ten eerste gaan straks de lonen te snel stijgen, met het bijbehorende risico van een hogere inflatie en problemen voor het bedrijfsleven. Bovendien kan oververhitting van de economie leiden tot gekke sprongen in de huizenprijzen en we weten nog uit de periode 1978-84 hoe slecht het is voor de welvaart wanneer de huizenprijzen na een excessieve stijging in elkaar klappen. Daarom is het belangrijk dat de regering in de Miljoenennota voor 1998 verstandig reageert op de 'boom' in onze economie, en tegelijkertijd extra denkt aan Leeuwarden.

Het regeerakkoord eist dat bij een meevallende economie vooral het financieringstekort nog wat lager moet worden. Een extra bescheiden financieringstekort is echter slechts één manier om rekening te houden met een meer - dan - gunstige economische ontwikkeling en het risico van oververhitting door een hoge beurs en dure huizenprijzen. Het remt de vraag. Er is nóg een recept nodig in een tijd van krappe arbeidsmarkt dat méér mensen terughelpt naar werk en zo het aanbod verhoogt. Dat zou kunnen door zowel de werkgeverslasten voor laagbetaalde banen nog veel meer te verlagen en bovendien alle mensen die vier à vijf dagen werken tegen een laag salaris een maandelijkse teruggaaf van een paar honderd gulden te laten verstrekken door de belastingdienst. Een soort maandelijkse uitkering voor mensen die werken, ter hoogte van netto 500 gulden per maand voor laagbetaalde werknemers met kinderen en 200 gulden per maand voor andere mensen die een volledige baan hebben tegen een betrekkelijk laag salaris. Berekeningen met een gedetailleerd rekenmodel voor de Nederlandse arbeidsmarkt onderstrepen dat zulke maatregelen aanvankelijk geld kosten, in de orde van een paar miljard gulden, maar na enige tijd ook opbrengsten genereren die zelfs hoger kunnen zijn dan de kosten: 80.000 mensen vinden een baan in de private sector door de combinatie van lagere lasten voor werkgevers en hogere besteedbare inkomens voor de werknemers. Bovendien zou zo'n pakket maatregelen een van de schrijnende problemen kunnen oplossen in het huidige systeem, namelijk dat alleenstaande ouders er vanwege kinderopvang financieel op achteruitgaan wanneer ze hun uitkering inruilen voor het loon van een laagbetaalde baan.

Vergelijkbare fiscale maatregelen zijn met succes genomen in de VS en in Engeland met de 'earned income tax credit' en de 'family credit'. De Tweede Kamer nam vlak voor het zomerreces naar aanleiding van onderzoek door NYFER een motie aan van Van Zijl (PvdA), Van Hoof (VVD) en Schimmel (D66) die de regering vraagt om dezelfde fiscale instrumenten snel te onderzoeken op hun bruikbaarheid voor Nederland. Haast is gewenst, omdat 1998 een ideaal startjaar is. Als bedrijven voor nieuw personeel makkelijker kunnen putten uit het bestand van de huidige werklozen, vermindert dat de druk om het bestaande personeel steeds meer te betalen aan overwerk of loonstijging. Dat is nuttig in een tijd van hoogconjunctuur, omdat een groter aanbod van arbeid dan gunstig werkt tegen het gevaar van looninflatie.

Snelheid bij besluitvorming en invoering is ook mogelijk omdat de twee maatregelen allebei kunnen worden uitgevoerd door de belastingdienst. Die kan per maand terugstorten aan bedrijven met laagbetaald personeel èn zorgen voor de maandelijkse teruggaaf van 500 gulden of 200 gulden aan alle laagbetaalde werknemers met een (bijna) volledige baan.

In de laatste analyse van Nederland pleit de OESO dan ook voor precies zo'n maatregel om de kansen voor werklozen op een baan te vergroten. En de invloedrijke Financial Times merkt in een hoofdartikel van 18 juli jl. op dat de Europese landen zo duidelijk hebben laten zien bereid te zijn om te zorgen voor uitkeringen aan de werklozen. Beter dan in Noord-Amerika. Daarom moet Europa nu toch ook in staat zijn om uitkeringen te organiseren voor te laag betaalde werknemers. De Engelse krant roemt Nederland vanwege ons succes in het verlagen van de werkloosheid zonder dat de verdeling van de inkomens veel ongelijker is geworden. De hier bepleite maatregel past daarbij. Immers, het voorstel voor een maandelijkse belastingteruggaaf aan bedrijven èn werknemers verhoogt de lagere inkomens, terwijl tevens de totale kosten voor de werkgever naar beneden gaan. Tijdens de overgangsperiode kost dat geld, maar dat is er gelukkig in 1998 wegens de hoge economische groei en de daardoor stijgende belastingontvangsten.

In het verleden heeft het rijk zo vaak de Sociale Verzekeringsbank of het GAK opgedragen om op korte termijn veranderingen door te voeren; laat het rijk nu voor een keer de eigen computers van de Belastingdienst in Apeldoorn opdracht geven om vòòr 1 januari het in dienst hebben van laagbetaalde werknemers een stuk aantrekkelijker te maken zowel voor bedrijven als voor de betrokkenen. Niemand gaat erop achteruit bij zo'n plan en ervaringen in het buitenland laten zien dat het leidt tot meer werk.